woensdag 18 maart 2026

399. Een gedicht over perkament

De afgelopen week heb ik geprobeerd om de profielen over de Dichters des Vaderlands en de historische dichters - en daarvan vooral de recent overleden dichters - bij te werken, nu we even geen stagiaires hebben om dit voor ons te doen.

Daaronder was de vorig jaar overleden dichter Esther Jansma, van wie de laatste bundel nog niet was behandeld: Rennen naar het einde van honger uit 2020.

Esther Jansma, Rennen naar het einde van honger (2020)
[foto op omslag door Willem Gorter]

Daarin trof ik een gedicht aan dat over de materialiteit van het boek gaat, en dat is een zeldzaam verschijnsel in poëzie.

Het gedicht ‘Gebedenboek’ gaat over een een middeleeuws manuscript, geschreven op perkament: 

Ik werd van mijn karkas gestroopt, te weken gelegd 

in een snelstromende beek, met ijzer geschraapt, 

op een rek gespannen, met puimsteen en kalk gepolijst,

op maat gesneden, in elkaar genaaid en vol bezweringen

gezet tegen ontelbaar ondenkbaar ellendige eindes.

 

Het is niet de vrome, religieuze tekst die tot ons spreekt, maar het materiaal waarop die tekst is geschreven. Als boek wordt het, voor ingebruikname, door middel van ‘bezweringen’ tegen het verloren gaan van het waardevolle en unieke handschrift beschermd, een heel andere behandeling dan het dier waarvan het perkament is gemaakt heeft moeten ondergaan:

 

Ik werd voor mijn moordenaars een plattegrond,

een partituur van hoe men om genade hoort te smeken.

Zo dwing ik ontzag af voor mijn godsvruchtige slachters.

Maar ooit was het anders, drukte ik me eenvoudig

tegen de eeuwige warmte van mijn moeder en sliep.


Een zeldzame stem, dit sprekende dier dat tot boek werd verwerkt.

donderdag 26 februari 2026

398. Een hond, een val, zonder geblaf

In de eerste bibliotheek waarin ik werkte, niet als professional, maar wel als betaalde deel-kracht, las ik hele kasten leeg, om het zo te zeggen. Afgezien daarvan leerde ik het toenmalige systeem voor plaatsing uit mijn hoofd, al doende, omdat mijn voornaamste taak was om de boeken terug te plaatsen op hun plek. Voor romans was dat makkelijk: zodra een volgeladen kar met populaire boeken de balie verliet met mij aan het roer stortte een menigte zich erop, zelfs voordat een gigantische tafel werd bereikt waarop de meest gewilde boeken werden gelegd, met de rug naar boven, dus vrij kwetsbaar op hun buik tegen elkaar steunend. Allemaal dikke, geplastificeerde romans, vaak vertalingen - Cookson en Konsalik bijvoorbeeld.

Wat bleef er dan nog op die kar liggen? 

Andere veel gelezen boeken, zoals detectives en spionageromans. En ja, af en toe, een poëziebundel.

Zelf las ik destijds alles in de literaire kasten in een uithoek van de bibliotheek, boek voor boek, met dichters over wie ik nooit eerder op school iets hoorde. Gerrit Komrij bijvoorbeeld. Jan Emmens was waarschijnlijk ook daarbij, denk ik, in dat Arnhemse filiaal in Presikhaaf. Dat filiaal was destijds het grootste van de stad en kon bogen op een rijke collectie poëzie, waarvan ik misschien wel de meest enthousiaste gebruiker was. Eerlijk gezegd weet ik niet of ik de bundel daar leende en las, of dat het later elders was. Hoe dan ook, die uitgaven van Van Oorschot, met hun geringe formaat en omvang en hun uniforme vormgeving staan in mijn geheugen gegrift, ook en vooral in het geheugen van mijn handen die de bundels hanteerden. Judith Herzberg, bijvoorbeeld. Het papier was glad, maar niet te wit, flexibel maar niet te dun.

Jan Emmens, Een hond van Pavlov (1969)

Een hond van Pavlov was in 1969 de laatste dichtbundel van Jan Emmens, twee jaar later maakte hij een eind aan zijn leven. Ik was waarschijnlijk ongeveer zeventien jaar oud toen ik zijn bundels las. 

Nu heb ik die bundel recent herlezen en viel mij op dat ik de beste herinneringen bewaarde aan een gedicht dat niet van Emmens zelf was maar van W.H. Auden. Emmens vertaalde diens beroemde gedicht 'Musée des Beaux Arts'. Nog steeds vind ik dit het beste gedicht in die bundel, al zijn er enkele gedichten die meer benauwend zijn, zoals 'Hard facts', en 'Spreken over Paris', maar ze bereiken niet die ontspannen verbinding tussen tragedie en terloopsheid die Auden meesterlijk wist te combineren in beelden die, hoewel ontleend aan een schilderij, een eigen leven gingen leiden.

Van dat gedicht zou een hedendaagse vertaling welkom zijn.

En misschien moeten we ook eens beginnen aan het hertalen van de gedichten van Emmens zelf, om de eigenaardigheden van zijn tijd te vervangen door die van onszelf.

Want ook wij zijn eigenaardig.

zaterdag 24 januari 2026

397. Laureaten van de Anny Antoine / Louis Koopman stipendia

Afgelopen december kon het bestuur van de Anny Antoine / Louis Koopman Collectie in de KB, nationale bibliotheek, bekend maken dat er twee stipendia gaan worden uitgereikt. De competitie was na de zomer geopend en uit binnen- en buitenland werden aanvragen ervoor ingestuurd. Op basis van hun plannen zijn de stipendia toegekend aan Ava Wilson en Robin Chardon.

Het Anny Antoine stipendium (€10,000) gaat naar Ava Wilson voor een onderzoek naar de relatie tussen de thema's 'lichaam', 'landschap' en 'tekst' in kunstenaarsboeken uit de Antoine / Koopman-collectie. Dat zal resulteren in een academische studie, maar ook wordt een publiekspresentatie voorbereid.

Het Louis Koopman stipendium (€5,000) is toegekend aan Robin Chardon, die, geïnspireerd door werken uit de collectie, een eigen kunstenaarsboek zal maken rond het thema 'tijd' met als invalshoeken 'natuur' en 'lichaam'. Dat zal deels een essay worden, maar Chardon schrijft zelf Franstalige gedichten en de verwachting is dat die ook in haar boek een plaats zullen krijgen.


Binnenkort spreek ik met de laureaten over een concrete invulling van hun plannen en de komende maanden zullen beiden hun project aanvangen.


Franck Venaille, Melancholia. Illustrations en filigrane par Monique-Mathieu Frénaud,
sur papier à la main cloisonné de Michel Guet.
Bussy le Grand: m.m. éd. [Monique Mathieu-Frénaud], 2001