donderdag 26 februari 2026

398. Een hond, een val, zonder geblaf

In de eerste bibliotheek waarin ik werkte, niet als professional, maar wel als betaalde deel-kracht, las ik hele kasten leeg, om het zo te zeggen. Afgezien daarvan leerde ik het toenmalige systeem voor plaatsing uit mijn hoofd, al doende, omdat mijn voornaamste taak was om de boeken terug te plaatsen op hun plek. Voor romans was dat makkelijk: zodra een volgeladen kar met populaire boeken de balie verliet met mij aan het roer stortte een menigte zich erop, zelfs voordat een gigantische tafel werd bereikt waarop de meest gewilde boeken werden gelegd, met de rug naar boven, dus vrij kwetsbaar op hun buik tegen elkaar steunend. Allemaal dikke, geplastificeerde romans, vaak vertalingen - Cookson en Konsalik bijvoorbeeld.

Wat bleef er dan nog op die kar liggen? 

Andere veel gelezen boeken, zoals detectives en spionageromans. En ja, af en toe, een poëziebundel.

Zelf las ik destijds alles in de literaire kasten in een uithoek van de bibliotheek, boek voor boek, met dichters over wie ik nooit eerder op school iets hoorde. Gerrit Komrij bijvoorbeeld. Jan Emmens was waarschijnlijk ook daarbij, denk ik, in dat Arnhemse filiaal in Presikhaaf. Dat filiaal was destijds het grootste van de stad en kon bogen op een rijke collectie poëzie, waarvan ik misschien wel de meest enthousiaste gebruiker was. Eerlijk gezegd weet ik niet of ik de bundel daar leende en las, of dat het later elders was. Hoe dan ook, die uitgaven van Van Oorschot, met hun geringe formaat en omvang en hun uniforme vormgeving staan in mijn geheugen gegrift, ook en vooral in het geheugen van mijn handen die de bundels hanteerden. Judith Herzberg, bijvoorbeeld. Het papier was glad, maar niet te wit, flexibel maar niet te dun.

Jan Emmens, Een hond van Pavlov (1969)

Een hond van Pavlov was in 1969 de laatste dichtbundel van Jan Emmens, twee jaar later maakte hij een eind aan zijn leven. Ik was waarschijnlijk ongeveer zeventien jaar oud toen ik zijn bundels las. 

Nu heb ik die bundel recent herlezen en viel mij op dat ik de beste herinneringen bewaarde aan een gedicht dat niet van Emmens zelf was maar van W.H. Auden. Emmens vertaalde diens beroemde gedicht 'Musée des Beaux Arts'. Nog steeds vind ik dit het beste gedicht in die bundel, al zijn er enkele gedichten die meer benauwend zijn, zoals 'Hard facts', en 'Spreken over Paris', maar ze bereiken niet die ontspannen verbinding tussen tragedie en terloopsheid die Auden meesterlijk wist te combineren in beelden die, hoewel ontleend aan een schilderij, een eigen leven gingen leiden.

Van dat gedicht zou een hedendaagse vertaling welkom zijn.

En misschien moeten we ook eens beginnen aan het hertalen van de gedichten van Emmens zelf, om de eigenaardigheden van zijn tijd te vervangen door die van onszelf.

Want ook wij zijn eigenaardig.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten