maandag 8 juli 2019

248. Een dankwoord uit de Appalachen

Jaarlijks komt ontwerper/boekkunstenaar Tricia Treacy met haar studenten van de Appalachian State University naar Nederland voor een cursus 'design'. Ze bezoeken en werken in de Printroom in Rotterdam, het prentenkabinet van het Rijksmuseum, verschillende ontwerpstudio's en de KB. 


Translation. ImmigrationStudents from the Appalachian State University
(2019)
Bij hun recente bezoek liet ik ze uiteenlopende boeken zien, van middeleeuwse handschriften tot moderne kunstenaarsboeken, maar met een nadruk op de twintigste eeuw: illustraties van Escher, typografie van Van Krimpen, omslagen van de Nieuwe Zakelijkheid, oorlogsuitgaven van Werkman, provotijdschriften, boeken ontworpen door Irma Boom, Christien Meindertsma, Carina Hesper en Moon Brouwer. De bedoeling was de studenten te inspireren.

De week erna gingen ze aan het werk en eind vorige week kreeg ik bij wijze van bedankje het eindresultaat toegezonden. De titel op het omslag leest - vermoedelijk - als: Translation, Immigration.







Translation. ImmigrationStudents from the Appalachian State University
(2019)
Links en rechts in het boek herkennen we Nederlandse woorden, maar vooral veel Engels natuurlijk, terwijl verschillende druktechnieken zijn uitgeprobeerd. Een fraaie manier om ons te bedanken!

donderdag 4 juli 2019

247. Wereldbibliotheek: een luxe Van Schendel en andere details

Een uitgesteld klusje had deze week mijn aandacht en leverde toch weer wat aardige zaken op. De KB kreeg ooit een collectie uitgaven van de Wereldbibliotheek ten geschenke van A.W.J. Remmerswaal. Hij verzamelde alle uitgaven, alle drukken, alle uitvoeringen en daarbinnen dan nog alle varianten aan banden. Dat zijn er veel.

Dubbele delen van De Wereldbibliotheek
Op basis van de titelbeschrijving is dat vaak niet te zien, dus om te achterhalen of een bepaalde variant al in de collectie is, moet je alle exemplaren opvragen en bekijken. 

Er stond nog een meter of drie te wachten op verwerking. Dat zijn de "dubbelen", althans, voor zover dat te beoordelen valt op grond van de beschrijvingen. De eerste plank heb ik nu behandeld. Ongeveer de helft bleek niet dubbel te zijn, maar juist nieuwe varianten te bevatten.


Niet dubbele uitgaven van De Wereldbibliotheek
De schutbladen kunnen verschillen, de rugtitels kunnen opnieuw gezet zijn (bijvoorbeeld Multatuli's Aleid uit 1908: de ene keer meten auteursnaam en titel samen 60, de andere keer 65 mm), er kan wel dan niet een punt staan in de rugtitel (Potgieters Liedekens van Bontekoe), de editie was niet in linnen gebonden, maar ingenaaid in papier, de rug vermeldt geen deeltitel of jaartal, de kleuren op de band wijken af of het monogram van de ontwerper staat er bij het ene exemplaar wel op en bij het andere ontbreekt het. En zo voort. Dit is een van de weinige collecties waarvan de bandvarianten allemaal willen verzamelen. Het geeft een tijdsbeeld en brengt de praktijk van kleine bindpartijen uitstekend in beeld.

De meeste uitgaven van de Wereldbibliotheek waren redelijk goedkoop, het papier was machinaal gemaakt, de oplagen groot en de staat van die exemplaren laat daardoor wel eens wat te wensen over. Luxe edities zijn zeldzaam.

Ik kwam er één tegen die we al in huis hadden zonder dat we dit wisten. 



Arthur van Schendel, Verhalen (1917): gewone en luxe editie
In 1917 publiceerde De Wereldbibliotheek - toen nog onder de naam Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur - een bundel Verhalen van Arthur van Schendel. De gewone uitgave heeft het standaardformaat van 18,5 x 12 cm, maar er zijn vijf exemplaren gedrukt op Hollands papier - dat vertelt G.H. 's-Gravesande in zijn bibliografie uit 1936. De bibliografie van het Literatuurmuseum (Documentatiedienst: Nederlands Letterkundig Museum: de bibliografische kaarten dateren uit 1967) vermeldt deze luxe editie niet.

De luxe uitgave is groter, het is wat de Engelsen een 'large paper copy' noemen: 20,1 x 14 cm.


Arthur van Schendel, Verhalen (1917): luxe editie
Dat Hollands papier heeft een watermerk van Van Gelder Zonen, de befaamde papierfabriek.

Het zetsel van de uitgave is verder geheel gelijk aan dat van de gewone editie, er is geen colofon met bijzonderheden in aangebracht. Wel verschilt de band. Die toont niet het door P.H. Praag ontworpen patroon; het boek is gebonden in een halflinnen band, met een etiket op de rug.

Dit exemplaar is door Van Schendel van een handgeschreven opdracht voorzien. Hij gaf het boekje aan een collega-auteur, namelijk Henriëtte Roland Holst - Van der Schalk. Veel boeken uit haar collectie zijn in 1939 beland in de verzameling van de KB.


Arthur van Schendel, Verhalen (1917): opdracht van de auteur
Van Schendel is een van die auteurs die er bij bijna al zijn uitgevers in slaagde een luxe editie van het werk te laten drukken op speciaal gekozen papier. Ook bij de Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur is hem dat dus gelukt.

Zesentwintig van die luxe uitgaven kreeg de KB in 2018 ten geschenke uit de nalatenschap van Dr. Leendert van der Hammen (1921-2016). Hij had bijna alle luxe edities verzameld.


Een rij Van Schendel-uitgaven uit de collectie van Dr Leendert van der Hammen

woensdag 5 juni 2019

246. Stempels voor Jules de Praetere

Jules de Praetere (1879-1941) ontwierp enkele boekbanden voor uitgeverij L.J. Veen in de tijd dat hij zijn op de eigen handpers gedrukte boeken op soortgelijke wijze decoreerde. Hij drukte acht boeken met werk van Karel van de Woestijne, Stijn Streuvels en enkele andere moderne auteurs. In 1902 liet Veen hem en ontwerp maken voor Over lichtende drempels van Louis Couperus; in 1904 maakte hij ontwerpen voor de Veen-editie van Guido Gezelle's Motto-album.


Guido Gezelle's Motto-album (1904)
Van de 3000 exemplaren werden er 750 meteen gebonden in een linnen band naar het ontwerp van De Praetere. De overige exemplaren kwamen geleidelijk op de markt in een uiteenlopende reeks andere bandjes. Zie voor een overzicht daarvan de publicatie van Jan Pauwels, Méer dan een mode-koorts: Guido Gezelle en zijn postume uitgever Lambertus Jacobus Veen, 1901-1919, die verscheen in 2005 (hierin pagina's 191-198.)

De ontwerpen van De Praetere zijn bewaard gebleven. Ze berusten in de collectie van het Rijksmuseum.


Guido Gezelle's Motto-album:
tekening voor het omslag naar ontwerp van Jules de Praetere, 1903
(Rijksmuseum: RP-T-00-3517)
De Praetere leverde ook een aparte tekening voor elke maand van het jaar - het motto-album was tevens een agenda - en daarbij tekende hij de namen van de maand, met florale decoraties. Van die maand-aanduidingen zijn twee tekeningen bewaard gebleven. Mogelijk zijn sommige van deze schetsen uitgewerkt door een tekenaar in de binderij en gemaakt ter preparatie van de stempels. De aantekeningen in potlood zijn misschien niet die van De Praetere. Bij de tekening voor de afzonderlijke maanden staat: '2 clichés van deze'. Dat is niet iets dat de ontwerper bepaalt.



Guido Gezelle's Motto-album:
tekeningen naar ontwerp van Jules de Praetere, 1903
(Rijksmuseum: RP-T-00-3517 [boven] en RP-P-2016-514R [onder])
De tweede tekeningenreeks voor de maand-aanduidingen werd niet afgebeeld in de studie van Jan Pauwels omdat die pas later werd verworven.

Tot nu toe was niet bekend of de gemaakte clichés bewaard zijn. Het cliché-archief van de binderij J. Brandt & Zoon is, zoals dat bij dit soort archieven gaat, verre van compleet, maar wel bewaard gebleven. De administratie bevindt zich in het Stadsarchief van Amsterdam, de metalen stempels zijn nu in de verzameling van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Mijn collega Rens Top wees mij op deze stempels van De Praetere's ontwerpen toen ik mij enkele jaren geleden bezig hield met de handpers van Jules de Praetere en met andere vroege Vlaamse private presses (gepubliceerd in De Gulden Passer, 2017).

De dozen in het archief lijken niet systematisch geordend te zijn. Vroeger kwamen we al eens de stempels tegen die voor de boekbanden van P.C. Boutens werden gebruikt, zie mijn artikel over 'P.C. Boutens de band van Stemmen' uit 2000. Maar ook van het Motto-album zijn enkele stempels gevonden, zowel van de door De Praetere ontworpen band als van enkele latere.






Bandstempels in de collectie Proost en Brandt stempelarchief
(KB Den Haag: doos 6, lade A1 en A2)
De stempels liggen soms op de kop, en niet steeds goed bij elkaar. Van het rugstempel lijken er twee verschillende vormen te zijn, beide gesigneerd met het monogram van De Praetere. Die twee verschillen in lengte en breedte. 

De onderdelen van de stempels zijn, zoals heel vaak, later gescheiden. Rugdecoraties als eerste, want die zijn afhankelijk van de bindwijze (waarbij het boekblok dikker of dunner kan worden). Maar ook de titels werden losgesneden. De titel van het Motto-album ligt dan ook in een andere lade in de doos. Ook missen er onderdelen.



Bandstempels in de collectie Proost en Brandt stempelarchief
(KB Den Haag: doos 6, lade b1, 2 3N 3)
Het Proost en Brandt stempelarchief bevat nog veel meer sporen van boekkunst uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Voorlopig is het echter lastig toegankelijk.

dinsdag 28 mei 2019

245. Een vroege Heeresma: Kinderkamer

De schrijver Heere Heeresma (1932-2011), onder andere bekend van de bundeling korte verhalen met de lichtvoetige titel Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming (1973) debuteerde voor het grotere publiek in 1962 toen hij Bevind van zaken en Een dagje naar het strand publiceerde bij Uitgeverij Contact. Eerder verschenen verhalen van Heeresma in literaire tijdschriften. Maar zijn eigenlijke debuut was een bundeltje gedichten, een nu onvindbaar boekje waarvan de KB pas onlangs een exemplaar heeft verworven.


Heere Heeresma, Een dagje naar het strand (1962) en Bevind van zaken (1962),
met achterzijde omslag van Een dagje naar het strand
Die uitgave verscheen niet bij een van de grotere uitgevers, maar bij Stichting Le Chat-Qui-Pelote. 

Heere Heeresma, Kinderkamer (1954): geheel uitgevouwen omslag
Le Chat-Qui-Pelote was een restaurant aan de Amsterdamse Zeedijk - in de kelder vonden optredens plaats. Het stichtingsbestuur bestond onder andere uit graficus en drukker Frans de Jong, tekenaar Gerrit Stapel en rechtenstudent Wicher Voerman, terwijl Klaas de Vries leiding gaf aan het geheel en de programmering werd overgelaten aan Esteban López. Heeresma liep ook rond in deze kringen. Eerder was hier de dependance van Galerie Le Canard gevestigd, Le Canard au Zeedijk. Le Canard was weer gerelateerd aan antiquariaat d'Eendt dat verschillende kunstenaars-portefeuilles publiceerde, zoals Het uitzicht van de duif door dichter Jan Elburg en kunstenaar Constant (in 1952).


Heere Heeresma, Kinderkamer (1954)
Bij Le Chat-Qui-Pelote was het de graficus Frans de Jong die het eigenlijke debuut van Heere Heeresma drukte. Dat gebeurde in 1954. De Jong had in 1950 een drukpers gekocht en dit was zijn eerste echte boekje. De tekeningen werden gemaakt door Gerrit Stapel.


Heere Heeresma, Kinderkamer (1954)
De meeste illustraties zijn, net als de initialen die aangeven dat een nieuw ongetiteld gedicht begint, gedrukt in rood.


Heere Heeresma, Kinderkamer (1954): colofon
Het onlangs voor de KB verworven exemplaar is misschien een proef-exemplaar. De oplage bestond uit 200 genummerde en ingenaaide exemplaren. Dit exemplaar is echter niet genummerd en bestaat uit gevouwen bladen die los in het omslag liggen. De latere speelsheid van Frans de Jong is hier nog beperkt tot de herhaling op het omslag van de titel en de auteursnaam in verschillende kleuren.



Heere Heeresma, Eens en nooit weer... (1979)
en Deze verzen en gedichten die poëzie ook (1974)
De gedichten werden in de jaren zeventig twee maal herdrukt, eerst met tekeningen van Heeresma's broer Faber Heeresma in 1974: Deze verzen en gedichten die poëzie ook; en vijf jaar later nog eens onder de titel Eens en nooit weer... Hierin zijn de gedichten ingrijpend bewerkt en zijn er ook verzen weggelaten. De enige manier om kennis te nemen van de oer-versie van de gedichten is dan ook Kinderkamer te komen bekijken in de KB.

vrijdag 17 mei 2019

244. Zin en onzin: kunstenaars in opleiding 1954

De vierdejaars studenten van de afdeling Decoratieve- en Nijverheidskunst aan de Academie van Beeldende Kunsten in Rotterdam maakten in het voorjaar van 1954 samen een abc-boekje. Hoe groot de oplage was en waar de exemplaren zijn gebleven is niet duidelijk, maar één ervan kon onlangs voor de KB-collectie worden aangeschaft.



ABC (1954)
In juli van het jaar zouden de studenten allemaal slagen voor hun examen. In Het Vrije Volk  van 16 juli 1954 staan hun namen opgesomd.


Het Vrije Volk, 16 juli 1954
Gezien de aantekening van de eerste eigenaar voorin, een zekere J.P. Willemse, is het boekje gekocht op een Bazaar van 20 en 21 maart 1954 - maar daar heb ik zo gauw niets over kunnen vinden. 


Aantekening bij aanschaf door J.P. Willemse
Het ABC-boekje heeft een originele gouache als omslag, met daarop de titel ABC en daaronder drie in paars en groen geschilderde vissen.



Gouaches op omslag van ABC (1954)
In het losse omslag liggen vier losse katernen (van elk acht bladzijden) met de letters van het alfabet getekend en geïllustreerd in linosnede en lithografie. Daarbij een los gestencild vel, waarop de echte titel in kapitalen staat: Sense and Nonsens in Black and White. ('Nonsens' had eigenlijk 'Nonsense' moeten zijn, maar misschien is het een staaltje jarenvijftighumor.)


ABC (1954)
Van de acht leerlingen zijn er een aantal nu nog traceerbaar als kunstenaar, zoals bijvoorbeeld Joke Folmer (geboren in 1931). Zij is vermeld in het Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars van P.A. Scheen. Na het eindexamen in 1954 deed zij een vervolgopleiding 'binnenhuiskunst' waarvoor zij in 1956 slaagde. Zij werkte daarna op die beide vakgebieden: ze maakte interieurontwerpen, aquarellen, mozaïeken en wandschilderingen. Scheen omschreef haar werk als 'gematigd modern', kunstzinnig en begaafd. Voor het ABC ontwierp ze de letters a, f, h en n. Waar de a voor staat weet ik niet zeker, de f staat voor 'feest', de h voor 'harten' en de n staat voor net (vissennet).





Letters a, f , h en n door Joke Folmer in ABC (1954)
Rik Jager (geboren als Hendrik in 1933) deed de Rotterdamse opleiding ná die in Den Haag en werkte later als schilder van landschappen en architectuur en als leraar tekenen. Zijn werk wordt geassocieerd met de Nieuwe Haagse School en met de Posthoorngroep (genoemd naar het nog steeds bestaande café met die naam). Maar al snel verhuisde hij naar Almelo in het oosten van het land. Voor het ABC verzorgde hij drie letters: c, p en r. De c is duidelijk gemarkeerd als de eerste letter van het woord 'City'; de p  is abstract en de r toont ook weer het hele woord: 'rat'.



Letters c en p door Rik Jager in ABC (1954)
Ook Jos Jansen (eigenlijk: Joseph Ignatius (Don Bosco) Maria Jansen) werkte na zijn opleiding verder in de kunsten. Ook hij werd geboren in 1933 en was, net als Rik Jager, een leerling van M.Schipper (en van Gijs Voskuijl). Hij werkte als schilder, graficus, en beeldhouwer. Zijn stijl is omschreven als non-figuratief en monumentaal. Hij ontwierp voor het ABC de letters j en q (bij geen van beide kan ik zien of er een specifiek woord aan die letters is verbonden: de j toont een lijk aan een galg; de q een stel met vogels).


Letter q door Jos Jansen in ABC (1954)
Jan Schroot (1934-2003) maakte drie letters voor het boekje: i, s en v. Hij zou later bekend worden als glaskunstenaar en maker van monumentaal werk en mozaïeken. De i en v zijn bijna gelijke composities (zonder duidelijke verwijzing naar een woord), de s toont een dubbele verwijzing naar 'spoorwegen' en 'sinister'.


Letter s door Jan Schroot in ABC (1954)
Over de drie andere vrouwelijke kunstenaars is minder bekend. Anke [later Pauline] (Anna Paulina) Merkus (geboren 1923) maakte onder andere wandkleden en werd ook vermeld door Scheen. Dat laatste gold niet voor W.A. (Willy) Seinstra en M.L. (Loes) de Rond.

De g staat voor 'gondel' en de 'u' staat voor uil (die de letter met zijn klauwen omklemt). Beide litho's werden getekend door Loes de Rond.



Letters g en u door Loes de Rond in ABC (1954)


De 26 letters zijn uitgevoerd in linosnede of lithografie, waarbij sommige wat rommeliger of juist simpeler zijn dan andere. De c, de p, de s en de u behoren tot de betere prestaties - maar de meeste kunstenaars waren nog erg jong en moesten hun eigen medium nog vinden, zoals dat gaat met studenten. 

vrijdag 10 mei 2019

243. Nog twee KB-boeken met herkomst: William Morris's Kelmscott House

Vijf jaar geleden schreef ik over twee boeken uit de collectie van de KB met een bijzondere herkomst: de bibliotheek van Kelmscott House, dat wil zeggen, het  buitenhuis van William Morris, de invloedrijke negentiende-eeuwse Arts-and-Craftskunstenaar (en -zakenman). Dat ging om een handschrift en een oude druk. Dankzij recent provenance-onderzoek in de KB - te volgen via Material Evidence in Incunabula (MEI) - zijn nog twee werken uit zijn privéverzameling in de KB opgedoken. Net als de andere twee tonen ze een mooie lange herkomstgeschiedenis.


Label voor de collectie van William Morris
(in Liber moralium super threnis Ieremiae, 1482)


Incunabel uit Oxford, 1482

De ene uitgave is beschreven in MEI. Het gaat om een in Oxford door Theodoricus Rood gedrukte tekst van John Lathbury, een Engelse theoloog en Franciscaner monnik die voor het midden van de veertiende eeuw in Oxford studeerde. Het boek, Liber moralium super threnis Ieremiae, behelst een commentaar op de klaagliederen van Jeremia. 

Behalve vroege commentaren in handschrift bevat het boek sporen van latere eigenaren. De oudste daarvan hangt samen met de blauw leren boekband met voorop een kroon met leeuwenkop en achterop de initialen JS. Die letters staan voor de Schotse aristocraat en ambtenaar James Stuart (1775-1849). 


Boekband gemaakt voor James Stuart
(Liber moralium super threnis Ieremiae, 1482)
De volgende eigenaar bracht een ex-libris aan op de keerzijde van het voorplat, de eerste in een reeks van vier. Deze was van Thomas Bateman (1821-1861), een Engelse particuliere archeoloog, die de bibliotheek van zijn vader erfde en die op grote schaal uitbreidde. Hij woonde op Middleton Hall (Derbyshire). Na zijn dood ging de collectie over in handen van zijn zoon Thomas William Bateman (1852-1895), die alles in 1893 bij Sotheby's liet veilen.

Binnenzijde voorplat
(Liber moralium super threnis Ieremiae, 1482
)
Dat is waarschijnlijk het moment geweest waarop de volgende eigenaar van zich kon laten spreken, wellicht via tussenkomst van antiquaar Quaritch. Die eigenaar was William Morris. Hij bracht niet zelf een ex-libris aan - een label met de Kelmscott House-herkomst werd na zijn dood in de boeken geplakt: 'From the Library of William Morris Kelmscott House Hammersmith'. Hij overleed in 1896.

Ex-libris van Richard Bennett
(Liber moralium super threnis Ieremiae, 1482
)
De volgende eigenaar was een verzamelaar uit Manchester, namelijk de industrieel Richard Bennett (1849-1930). Hij kocht in 1897 bijna de hele bibliotheek van Morris aan en verkocht daaruit wat hij niet zelf wilde houden; dat gebeurde bij Sotheby's, weer een jaar later. De veilingcatalogus noemt dit boek niet - het werd in 1898 namelijk niet geselecteerd voor de verkoop, maar door Bennett in zijn eigen bibliotheek geplaatst. Uiteindelijk is het direct vanuit zijn bibliotheek terecht gekomen op de schappen van de New Yorkse verzamelaar John Pierpont Morgan.

Ex-libris van The Pierpont Morgan Library
(Liber moralium super threnis Ieremiae, 1482
)
Pierpont Morgan kocht Bennetts collectie in 1902 in één koop. Bennett verkocht niet al zijn bezittingen, integendeel: hij behield zijn porseleinverzameling tot 1911; daar was hij kennelijk meer aan gehecht.

Pierpont Morgan zorgde ervoor dat na zijn dood zijn eigen huis inclusief de bibliotheek een bestemming als museum kreeg; het droeg de naam The Pierpont Morgan Library. Die instelling plakte er een label in, tussen de andere ex-libris. Maar het boek zou niet eeuwig in New York blijven; een nieuwe verhuizing zat er aan te komen.

Voorin is een etiket aangebracht waarop staat dat het boek 'Released' is 'by Order of the Trustees of The Pierpont Morgan Library March 1981'. Musea en bibliotheken in Amerika leveren soms aan veilinghuizen, of doen op andere manieren boeken van de hand. 

De KB verwierf het boek uit deze befaamde collectie.

Hier zien we een rij van opeenvolgende eigenaren die vrij standaard is: van de ene naar de andere privéverzamelaar, soms met tussenkomst van een veilinghouder, dan weer door directe aankoop; en vervolgens een tocht langs instituten: van New York tot Den Haag. 


Vroege druk met ex-librissen op een handschriftfragment


Ook uit de collectie van William Morris is een uitgave in klein formaat van Minorica elucidativa (circa 1502), dat wil zeggen, dit is het eerste werk in een verzamelbandje dat in de vroege zestiende eeuw is vervaardigd uit varkensleer. 


Boekband, ca. 1510-5120 voor convoluut,
beginnend met Minorica elucidativa (circa 1502)
Vanwege het jaartal (ná 1500) is het niet opgenomen in MEI, maar wel in de KB-catalogus. Het bandje bevat nog drie uitgaven, waaronder twee Nederlandse drukken, een uit Deventer (Preclarissimum opus Antiminorica vocatu... uit 1508) en een uit Delft (Defensorium et declaratio priuilegiorū fratrum mendicātium).  




Ex-librissen in convoluut,
beginnend met Minorica elucidativa (circa 1502)
Van dit boek is de eerst bekende eigenaar William Morris. Via de collectie van Bennett kwam het op maandag 5 december 1898 op de veiling van Sotheby, Wilkinson & Hodge. Het staat in de Catalogue of a Portion of the Valuable Collection of Manuscripts, Early Printed Books, &c. of the Late William Morris, of Kelmscott House, Hammersmith onder nummer 16. 

Daarna is het in een Nederlandse verzameling beland. Het tweede ex-libris vermeldt de initialen UP en die staan voor de papierhandelaar en bibliofiel Ulco Proost (1885-1966). Zijn collectie werd in 1967 bij Beijers in Utrecht geveild. 


Drukkersmerk in Defensorium et declaratio priuilegiorū fratrum mendicātium  (1508)
(in convoluut beginnend met Minorica elucidativa, circa 1502)
De KB kocht het echter enkele jaren later, in 1970, uit een catalogus van L. Rosenthal's Antiquariaat  in Hilversum. Het jaarverslag vermeldt nog een interessante toevoeging aan de herkomstgeschiedenis. Het blijkt dat dit convoluut namelijk in 1939 werd gekocht bij de Londense antiquaar Goldschmidt en wel uit diens catalogus 32 (daarin nummer 31). Die aankoop werd gedaan door een Nederlandse antiquaar, namelijk M. Nijhoff en die deed dat met een heel speciaal doel: zo kon bibliograaf mej. M.E. Kronenberg de twee Nederlandse drukjes beschrijven en opnemen in haar bibliografie van vroege Nederlandse drukken. Later is het geheel aangekocht door Ulco Proost.

Proost liet zijn ex-libris ontwerpen door Jacob Nuiver (1892-1953): zijn initialen J en N zijn leesbaar. De tekst is verder weinig inventief: rondom een afbeelding van een opengeslagen boek staan vier keer de woorden 'Ex Libris', maar wel in vier verschillende (getekende) lettertypen: middeleeuws handschrift, civilité, gotisch en romein (zie daarover Nynke Leistra, 'Binding met de band'). Die vier lettertypen kunnen staan voor de uiteenlopende handschriften, oude en nieuwe boeken die Proost in zijn collectie bijeenbracht. 


Maculatuur in convoluut,
beginnend met Minorica elucidativa (circa 1502)
De twee ex-librissen in deze uitgave zijn aangebracht aan de binnenzijde van het voorplat. Tekenend voor de tijd is dat ze zijn geplakt op iets dat wij tegenwoordig met meer respect zouden behandelen, namelijk een fragment van een oud handschrift dat als dekblad is gebruikt. Het is recent herkend als een stukje (maculatuur) uit De bello civili van Marcus Annaeus Lucanus.

Al met al bezit de KB - voor zover nu bekend - vier werken uit de bibliotheek van William Morris en ze hebben allemaal een individuele route genomen om hier terecht te komen. Via instituten in Londen en New York, via antiquaren in Londen, Hilversum, Den Haag en Amsterdam. Via verzamelaars in Europa en Amerika. Soms als gevolg van verkoop na het overlijden van een verzamelaar, soms doordat het uit een institutionele verzameling is verwijderd. Er zijn vele wegen naar de KB.