vrijdag 12 oktober 2018

221. Een late Albert Verwey

Het gedicht 'Honestum Petimus Usque' schreef Albert Verwey in zijn laatste volledige levensjaar, 1936. In maart 1937 overleed hij, in juni verscheen het gedicht in een speciale lustrumaflevering van de Kroniek van hedendaagsche kunst en kultuur. Verwey schreef het gedicht op verzoek van het Amsterdamsche Studenten Corps voor het lustrum en het werd getoonzet door componist Henk Badings. De eerste uitvoering van de cantate vond plaats op 28 juni 1937.


Albert Verwey, 'Honestum Petimus Usque'
(Kroniek van hedendaagsche kunst en kultuur, juni 1937, p. 228-229)
De tekst van de cantate werd ook afgedrukt over twee pagina's in het programmaboekje. Dat staat keurig vermeld in de bibliografie van het Literatuurmuseum. Onlangs ontving de KB een apart vouwblad, met een deel van het gedicht - vijf strofen van vier regels - met erboven een driehoekige illustratie van een stad in puin. Onderaan het wapen 'Ardeat Vita' van de studentenvereniging. Deze uitgave is nergens vermeld.

Albert Verweij, Honestum Petimus Usque
De titel van het gedicht was het motto van de studentenvereniging (het betekent 'Onafgebroken zoeken wij het eervolle'). Omdat onder deze uitgave het wapen van de vereniging is afgedrukt moeten we aannemen dat dit een uitgave voor intern gebruik is geweest. Opvallend is dat hier de naam van Verwey niet met 'y', maar met 'ij' wordt geschreven.



Albert Verweij, Honestum Petimus Usque
De oplage is onbekend. Er is één exemplaar gevonden in het archief van de studentenvereniging. Het bevindt zich in het Stadsarchief Amsterdam. Dat is afgedrukt op een groter vel papier, maar verder identiek, en heeft ook hetzelfde watermerk.

Watermerk in Albert Verweij, Honestum Petimus Usque
Wanneer dit gedicht is uitgegeven is niet bekend, maar het zal uit dezelfde tijd stammen als de opvoering van de cantate en misschien aan een diner zijn uitgedeeld. De illustratie bovenaan zou dan kunnen verwijzen naar het recente bombardement van Guernica op 26 april 1937. Verwey maakte dit niet meer mee; de studenten hadden het nieuws daarover recent vernomen en konden de tekst er allicht mee in verband brengen.

woensdag 3 oktober 2018

220. Een Ballet uit 1884

In 1884 werd in het Paleis voor Volksvlijt een aantal keren een ballet opgevoerd met als titel: Sadi of Beloonde Zelfopoffering. Advertenties daarvoor geven aan dat het om een 'volksvoorstelling' ging.


Sadi of Beloonde zelfopoffering (1884)

Bij dit ballet verscheen een tekstboekje en dat was - als we de krant moeten geloven - hoogst noodzakelijk want de verhaallijn was die van een ouderwets melodrama, met verschillende taferelen. Het Nieuws van de Dag schreef letterlijk:

Zij allen waren in hun dijkwijls zeer moeielijk gebarenspel hoogst verdienstelijk. Aan dit ballet is bijzondere zorg besteed.

Het was dus iets tussen een mime- en dansvoorstelling in. Die handelingen zullen inderdaad wel ingewikkeld zijn geweest en de negen taferelen speelden zich af in de haven van Constantinopel, in het huis van Sadi, een zaal is het paleis van de sultan, de kade, een legerkamp, opnieuw het paleis van de sultan, ditmaaal gevolgd door een gevangenis en een tuin om te eindigen in een 'rotsachtig oord met waterval'.

In zestien pagina's tekst werd de handeling uit de doeken gedaan - en van al die woorden werd er dus op het toneel geen enkele uitgesproken... Dat werden honderden gebaren en sprongen voor de elf hoofdrolspelers en daaromheen dwarrelden nog rond:

Gondeliers, Volk, Soldaten, Matrozen, Turksche Mannen en Vrouwen, Bedelaars, Slaven, Negers, Bayadères, Odalisken, Visiers, Rijksgrooten, Amazones, Zigeuners enz.


J.D.G. Grootveld (door Johan Braaksensiek, 1900)
Collectie Rijksmuseum
De krant was vol lof over de decoraties, de geschilderde achterdoeken, gemaakt door J.D.G. Grootveld (1821-1890) en diens leerling Jan Maandag (1850-1932):

Als eene rechtmatige hulde werden de beide vervaardigers herhaalde malen warm toegejuicht en mochten zij op het tooneel hunnen dank daarvoor betuigen.

Afbeeldingen van de decors zijn kennelijk niet bewaard gebleven, op één na, waarvan een impressie is afgedrukt in het tekstboekje. 

Die ene afbeelding is van de laatste scene, de waterval met brug waarop Sadi en zijn rivaal een gevecht op leven en dood voeren.


Litho uit Sadi of Beloonde zelfopoffering (1884)
Het is niet helemaal duidelijk of dit plaatje gebaseerd is op het achterdoek van die scene, want er zijn ook twee dansers afgebeeld - dat was in de schouwburg natuurlijk anders. De titel 'De wilde Amazone' slaat op de jaloerse zigeunerin die wraak wil nemen op de aanstaande vrouw van Sadi, de dochter van de sultan. Onderaan staat 'Laatste Tafereel'.

Het ballet zelf werd voorzien van muziek door Joh. M. Coenen (1824-1899) en 'gearrangeerd en gemonteerd' door de balletmeester, Eduard Witt (1834-1894). Allemaal namen die destijds veel bekendheid genoten.

Het boekje werd gedrukt bij de drukkerij in De Brakke Grond in Amsterdam; er staan  advertenties in voor figuur-zaagmachines, sigaren, toneelkijkers, een stomerij en een krant.


Sadi of Beloonde zelfopoffering (1884)
Het vooromslag is iets te tropisch voor een Turks tafereel. We zien een omranding met een veranda die uitkijkt over het water. Het was destijds niet de gewoonte om omslagillustraties aan te passen aan het onderwerp. Het kon van alles zijn dat de aandacht trok.


Sadi of Beloonde zelfopoffering (1884)
In de linkerrand en ook onderaan zijn kleine vierkante versieringen opgenomen met watervogels, een kip en een kat. Ook linksboven zijn die herhaald. Rechtsboven een al evenmin toepasselijke decoratie van een spinnenweb dat kennelijk in de hoek van de veranda, tegen het dak aan moet worden gedacht. Zulke hoekversieringen zijn normaler dan wij zouden denken. In een letterproef van de Duitse drukkerij Wilhelm Gronau is een soortgelijk hoekstuk afgebeeld. Maar je kon er ook een hondje neerzetten...


Muster-Sammlung von Wilhelm Gronau's Buchdruckerei und Schreiftgiesserei (1891)

vrijdag 14 september 2018

219. Advertenties voor 'Fransche les'

Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat boekenverzamelaar Louis Koopman stierf. Dat gaan we natuurlijk herdenken. Daarover later meer.


Anny Antoine en Louis Koopman
Op zoek naar sporen van Koopman en zijn tragisch overleden verloofde Anny Antoine ploegde ik zoekresultaten in Delpher door en trof advertenties aan van Anny Antoine zelf. Die had ik nooit eerder gezien, ook niet in de plakboeken die Koopman over haar bijhield. Daarin belandden bijvoorbeeld de krantenknipsels over het gruwelijke tramongeluk dat haar overkwam op de Scheveningseweg in Den Haag.


Paspoort van Anny Antoine (1931)
De Belgische Anny Antoine woonde eerst een jaartje in Parijs voordat zij in oktober 1925 naar Den Haag verhuisde. Ze vond werk als lerares Frans en woonde op verschillende adressen waar zij thuis les kon geven. Aanvankelijk zocht zij onderdak in Hotel Astoria vlakbij Station Hollands Spoor. (Het werd gesloopt in 1982.) 


Hotel Astoria, Den Haag, c. 1915 (Haags Gemeentearchief)
Daarna is het oudst bekende adres van Antoine in Den Haag Frederikstraat 75. Vervolgens  woonde zij op de Bazarlaan 76A, de Groot Hertoginnelaan 103 en de Anna Paulownastraat 75. Vanaf september 1928 tot haar dood woonde ze in de Van Speykstraat op nummer 10.


Visitekaartje van de Haagse Anny Antoine (in of na 1931)

In november 1925 ontmoette Antoine de tien jaar oudere Louis Koopman met wie zij zich in 1931 verloofde. In hetzelfde jaar behaalde zij haar diploma Frans M.O.-A. Twee jaar later zou zij sterven.

Haar advertenties in de Haagsche Courant verschenen niet al die tijd. Ik heb er alleen gevonden tussen 1926 en 1931.


Haagsche Courant, 3 maart 1926
Op 3 maart 1926 verscheen de eerste advertentie. Dat wil zeggen: dit is de oudste die ik heb gevonden door te zoeken op verschillende trefwoorden, zoals 'Fransche les', 'Antoine', enzovoort. 

Letterlijk staat er in de advertentie dat zij ongetrouwd is (een mejuffrouw), dat ze Franse lessen geeft tegen redelijke vergoeding en dat heren zich niet moeten aanmelden. Dat laatste sprak verder kennelijk voor zich en vanaf 1928 kwam dit omgekeerd in de advertenties terug toen Antoine meldde dat ze nog enkele lesuren beschikbaar had voor vrouwen en kinderen.


Haagsche Courant, 10 februari 1928
In de advertentierubriek van 10 februari 1928 zien we dat in Den Haag meerdere docenten voor Franse lessen hun diensten aanboden. Er is bijvoorbeeld een 'gediplomeerde Fransman' in de Acaciastraat die speciaal geeft aan 'hen die binnenkort n. Frankrijk vertrekken'.

Vanaf 1927 legde Anny Antoine zich toe op lessen op drie terreinen: grammatica, conversatie en correspondentie. Ook benadrukt zij dat een toegankelijke methodiek wordt gebruikt: 'Méthode facile!' Enkele keren gebruikt zij een soort campagne met een reeks advertenties op opeenvolgende dagen, met steeds een andere bewoording. Eind september 1927 bijvoorbeeld richt zij zich tot leerlingen die de makkelijke methode wensen, of juist een snelle, of leerlingen die zich prepareren voor examens, en bovendien biedt zij speciale lessen voor groepen kinderen aan.




Haagsche Courant, 27, 28 en 29 september 1927
Vanaf 1930 voegt zij nog een bezigheid aan haar advertenties toe. Voortaan biedt zij ook aan om vertalingen te maken: 'Ook vertalingen'.


Haagsche Courant, 16 oktober 1930
Aanvankelijk noemde zij zich in de advertenties 'A. Antoine''  maar vanaf 17 oktober 1927 meldde zij ook haar voornaam: 'Anny Antoine'. Nederlandstalige en Franstalige advertenties wisselen elkaar af en nu eens staat er 'Français' of 'Fransche les' bovenaan; op andere momenten begint de advertentie groot met haar eigen naam. 

Na haar verloving met Ir Louis Koopman - hij woonde in Amsterdam en zij bleef in Den Haag werken en wonen - verschenen er geen advertenties meer...

Dankzij Delpher hebben we iets meer inzicht in haar adressen én beroepsmatige werkzaamheden. Omdat zij al die tijd in pensions woonde, staat haar naam niet vermeld in het Adresboek voor 's-Gravenhage, Scheveningen en Loosduinen. Hiermee moeten we het dus even doen...

maandag 10 september 2018

218. Aktiegroep Nieuwmarkt

Een aantal zeldzame tijdschriften rond de aanleg van de Amsterdamse metro, de afbraak van panden rond de Nieuwmarkt en de krakersbeweging die zich daar vestigde is aan de collectie van de KB toegevoegd.

Zulke vaak gestencilde tijdschriften maken al lang deel uit van onze collectie, zoals Nieuwsmarkt dat in 1971 en 1972 berichten over de ontwikkelingen rond de Nieuwmarkt naar buiten bracht, onder andere over huisuitzettingen en protesten daartegen.

Vaak zijn die puur informatief of provocatief. Maar vooral de affiches tonen dat er kunstenaars bij de lokale politiek actief waren. 

Een van die posters plaatste mij aanvankelijk voor het raadsel: wie heeft dit affiche (296x210 mm) gemaakt en wanneer precies?


Bert Griepink, Bloemlezing (1971)
Op de poster is een roos getekend, met een doornige steel en bladeren die bestaan uit papieren rapporten met - van buiten naar binnen - de opschriften 'Publieke werken', 'Afd. Tunnelbouw', 'Bestuurskontakten', 'Stadsontwikkeling', 'Ontruiming', 'Deportatieplan' en - helemaal in het midden -  'Metro'.

Er hangt een kaartje aan met de tekst van de afzender: 'Voor de openbaarheid', was getekend: 'Aktiegroep Nieuwmarkt'.

Bovenaan staat dat dit een bloemlezing is en wel 'uit inbeslaggenomen gemeentelijke documenten over de Nieuwmarkt'.

Inbeslagname is meestal voorbehouden aan de overheid, maar rond de Nieuwmarkt was een democratische strijd in het leven geroepen en dan is pikken van de overheid een synoniem voor 'inbeslagname'. 

Rechtsonder dit 'boeket' staat een naam: 'Bert Gr.' Zoekend in de documenten over de Nieuwmarkt kwam ik al gauw de naam van kunstenaar Bert Griepink tegen, die  desgevraagd per mail kon bevestigen dat hij inderdaad de tekenaar is:

'Hoewel er veel door de AktieGroepNieuwmarkt in offset werd gepubliceerd, is deze prent gestencild als ik mij goed herinner.'

Dat klopt helemaal. Over de documenten schreef hij:  

'De gemeentelijke documenten waarvan in de afbeelding sprake is werden "gelekt" door sympathiserende ambtenaren van de Gemeente Dienst Publieke Werken.'

Daarmee kon ik verder zoeken naar het jaartal - '1973 of 1974' schatte Griepink.


Nieuwsmarkt, 39 (4 december 1971)
Het tijdschrift Nieuwsmarkt geeft het antwoord. Daarin werden eind 1971 de documenten die de aktievoerders in handen kregen gepubliceerd en daarmee is de datum van deze 'Bloemlezing' nog eerder dan we al dachten: 1971. Griepink was toen 22 jaar.

Ik laat ook de achterkant van het stencil zien, vanwege de rare blauwe vlekken die op de voorzijde zichtbaar zijn. Iemand heeft met viltstift nummeringen aangebracht - vermoedelijk slaan die op de door een verzamelaar bijeengebrachte afleveringen van een krakersblaadje.


Bert Griepink, Bloemlezing (1971)
Dat deze roos overigens samengevoegd is met de krakerstijdschriftjes die we kochten is wat wrang, want Griepink zelf behoorde tot de protesterende Nieuwmarktbewoners die weinig begrip konden opbrengen voor de 'nihilistische richting' die de kraakbeweging later zou inslaan. Het is genoteerd.

[Met dank aan Bert Griepink, voor zijn toestemming om de afbeelding te gebruiken en zijn mail te citeren.]

woensdag 5 september 2018

217. Een jeugdwerk: Black all day

Onlangs kocht de KB op een veiling een jeugdwerk van de Nederlandse graficus Guillaume Le Roy (1938-2008): Black all day uit 1960. 


Guillaume Le Roy, Black all day (1960): detail van omslag
Le Roy maakte vooral houtsneden en etsen en daarnaast een aantal projecten op groot formaat met teksten van de Comte de Lautréamont (De zangen van Maldoror) en een Chassidische vertelling, namelijk De Baäl Sjem en de tovenaar (1975). Ook publiceerde hij zo prenten in een oplage bij gedichten van Mandelstam en Baudelaire. Afbeeldingen van zijn latere werk zijn eenvoudig online te vinden.


De muze en de zeventien provinciën (1962)
Al jong kreeg hij een eerste opdracht van de CPNB en voorzag hij de uitgave bij de Boekenweek 1962 van penseeltekeningen. Elk jaar verscheen zo'n bundeltje over de 'muze', en in 1962 heette het De muze en de zeventien provinciën. Zulke bloemlezingen werden kritisch en minder kritisch bekeken. De ene recensent vond dat de tekeningen van Le Roy 'bij de typografie prachtig aansluiten', terwijl een ander beweerde dat ze tot het 'weinig aantrekkelijke van het moderne klad-maar-raak genre' behoorden.


Het Parool, 18 juli 1961
Kort daarvoor was Le Roy geslaagd voor het diploma Grafisch ontwerpen aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam waar hij in 1957 was gaan studeren (de huidige Rietveld Academie). Dat was in juli 1961 (niet 1962, zoals in sommige catalogi staat; zie het bericht erover in Het Parool, 18 juli 1961). In een interview in Avenue (februari 1975) vertelde hij dat het 'in die tijd een fantastische school' was, waar docenten en studenten 'een los-vaste verhouding met de school' hadden.

Tijdens zijn studie maakte Le Roy zijn vroege boek Black all day, ook met penseeltekeningen. Dat verscheen in april 1960 in een oplage van veertig exemplaren. Voorin en op het omslag staat deze titel, maar in het colofon heet het boekje opeens All day black. Dat is niet goed te begrijpen. Het staat er twee keer.

Guillaume Le Roy, Black all day (1960)
Ook de verantwoording is daardoor wat ongelukkig: 'this collection from "All day black" by Rosey E. Pool and Paul Breman'. Een boek met die titel bestaat namelijk niet. Wel maakten Rosey en Breman de bloemlezing Ik zag hoe zwart ik was (1958). Het titelgedicht daarin staat op pagina 163: 'Ik zag hoe zwart ik was'. Er tegenover staat de oorspronkelijke Engelse tekst: 'Black all day'. Die titel heeft Le Roy voor zijn eigen bloemlezing uit deze bloemlezing overgenomen.

Guillaume Le Roy, Black all day (1960)
Het boek van Guillaume Le Roy is gedrukt in offset op de persen van het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs. De ondertitel zou nu anders luiden, maar was: American negro poetry. Poëzie van Afro-Amerikanen. Er zijn zeven gedichten geselecteerd, waarvan er een uit meerdere delen bestaat: 'Memphis Blues'. Het begint op een witte pagina links tegenover een uitslaande plaat met fabrieken tegenover kerken. 


Guillaume Le Roy, Black all day (1960)
Als het rode vouwblad wordt omgeslagen zien we wat er volgens de dichter met Memphis kan gebeuren: het kan - net als Babylon of andere oude plaatsen - ten onder gaan door overstromingen, tornado's, branden. Op deze rode bladen is ook tekst aangebracht. Die is met een penseel gekalligrafeerd en waarschijnlijk daarna verkleind afgedrukt. Dat verklaart het wat brokkelige karakter van de letters.


Guillaume Le Roy, Black all day (1960)
Nog een eigenaardigheid van de uitgave is dat het lijkt te gaan om anonieme gedichten,  maar niets is minder waar. Alle zeven gedichten hebben in de bloemlezing een auteursnaam en achterin de oorspronkelijke bloemlezing staan bovendien biografische gegevens over de dichters. Het anonimiseren van de zwarte dichters door Le Roy is helemaal tegen de opzet van die bloemlezing door Pool en Breman, die juist voor erkenning van het kunstenaarschap van de zwarte dichters streden. 'Black all day' werd bijvoorbeeld geschreven door Raymond Patterson, die in 1929 in New York geboren was. Hij werkte destijds in een opvoedingsinstituut voor jeugdige delinquenten. Later werd hij professor aan het City College van de City University of New York. Hij stierf in 2001. In 1958 schreef hij 'Black all day' speciaal voor de Nederlandse bloemlezing.

Het lange gedicht 'Memphis blues' was van Sterling Allen Brown (1901-1989); de andere vijf gedichten werden geschreven door James Edwin Campbell (1867-1896), Leslie Morgan Collins (1914-2014), Robert Earl Hayden (1913-1980), Jean Toomer (1894-1967) en Arna Wendell Bontemps (1902-1973).

Alle teksten in Black all day komen uit de bloemlezing die door Rosey Eva Pool (1905-1971) en Paul Breman werd samengesteld. Pool was een Nederlandse die in Berlijn studeerde maar na de Kristallnacht vluchtte en daarna in Amsterdam nog Anne Frank in haar klas had. Pool werkte tijdens de oorlog voor het verzet en publiceerde vertalingen bij illegale uitgeverijen. Bijna haar hele familie werd vermoord. Zelf werd zij opgepakt en in Amersfoort gevangen gezet, maar ze kon ontsnappen en dook voor de rest van de oorlog onder. Later verhuisde ze naar Londen. 

Al vroeg, in de jaren twintig, ontdekte zij de liederen van zwarte Amerikanen. In Berlijn kon zij destijds haar proefschrift erover niet voltooien. Ze verzette zich in geschrifte tegen de Amerikaanse onderdrukking van de zwarte bevolking en onderhield contacten met veel schrijvers uit de kringen rond de Harlem Renaissance. Haar archief is nu deel van de collectie van de University of Sussex Library.


Ik zag hoe zwart ik was (1958)
In 1958 verscheen haar vertaling en bloemlezing van deze gedichten onder de titel: Ik zag hoe zwart ik was, deel van de populaire pocketreeks Ooievaar. 

Dat deed ze samen met boekhandelaar, later antiquaar en uitgever, tevens vertaler en jazzkenner Paul Breman (1931-2008). Hij publiceerde zijn eerste vertaling van zwarte poëzie in het tijdschrift Podium in 1947. Zijn archief maakt deel van de collectie van de Chapin Library of Williams College.

woensdag 25 juli 2018

216. Wereldmelkboeren, melkkleuren en melkpoelen

Melk was het eerste waar ik een afkeer van had. Staat nog steeds met stip bovenaan. Maar dat neemt niet weg dat ik verheugd was over het aanbod van een bevriend antiquaar uit Vlaanderen. Hij verkocht aan de KB een exemplaar van Wereldmelkboeren, een niet erg bekende titel van Simon Carmiggelt.


S. Carmiggelt, Wereldmelkboeren (1952)
Tot nu toe was alleen een exemplaar in het archief van Vlaardingen bekend (er zullen natuurlijk Carmiggelt-verzamelaars zijn die een eigen exemplaar bezitten), waarschijnlijk omdat het bij Verweij in Mijdrecht is gedrukt in opdracht van drie melkfabrieken, waarvan de eerste hoofdkantoor hield in Vlaardingen: Hollandia. De andere twee opdrachtgevers waren de Fabriek van Melkproducten der Vereenigde Zuivelbereiders (Rotterdam) en de Leeuwarder IJs- en Melkproductenfabrieken. 

Nu heeft de KB ook een exemplaar van deze schnabbel van de toch niet als melkdrinkebroer bekend staande Carmiggelt, die begin jaren vijftig zijn salaris voor cursiefjes in Het Parool aanvulde met honoraria voor optredens, inleidingen en ook dus een verhaal over de geschiedenis van de melk:

'Hoe lang melken de mensen al koeien?' roept U in historische vervoering uit.

Uit het hele verhaal is duidelijk dat Carmiggelt zelf aan melk geen boodschap had; de ironie ligt er duimendik op.

Overigens zou Carmiggelt juist in 1952 zijn versnipperde bestaan als toneelrecensent en medewerker van Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer opgeven om zich zoveel mogelijk te concentreren op de rubriek 'Kronkel'.



Illustraties door Cor Icke, in Wereldmelkboeren (1952)
De illustraties ondersteunen de luchtige toon van Carmiggelt. Ze zijn het werk van Cor Icke (1913-1996). Icke (vader van astronoom Vincent Icke) werd opgeleid tot docent tekenen en illustreerde boeken en tijdschriften. Jarenlang werkte hij voor Dollywood, de filmstudio van Joop Geesink, en legde hij zich toe op film en animatie, vooral poppenfilms. De beroemdste daarvan was de reclame-animatie Loeki de Leeuw.


Illustratie door Cor Icke, in Wereldmelkboeren (1952)
De illustraties zijn gemaakt naar aanleiding van de tekst, het zijn geen vrije interpretaties op het thema melk, maar echt bedoeld als een geestige toevoeging aan de woorden van Carmiggelt. Zo schrijft Carmiggelt - die nog flink wat onderzoek verrichtte voor zijn melktekst - dat melk al voor de Tweede Wereldoorlog tot de 'highly protected foods' wordt gerekend door het 'Mixed Committee of the League of Nations' en dat dan ook als eerste verzonden wordt naar rampgebieden. 

Carmiggelt:

U denkt misschien aan een soort wereldmelkboer die met een raket vol flessen het luchtruim klieft, maar het gaat een beetje anders.

Icke illustreert deze pagina met een torpedo-achtige vliegende tractor, met kraantjes, melkflessen en borden waarop 'melk, boter' en 'kaas' worden aangeboden.


S. Carmiggelt en Cor Icke in Nieuw Spoor (december 1947)
Icke en Carmiggelt werkten al eerder samen. In december 1947 publiceerde het maandblad voor NS-personeel, Nieuw Spoor, een reisverhaal van Carmiggelt over een bezoek aan Skopje, waar hij door de straten dwaalt, een café betreedt dat gebruikt blijkt te worden als lijkenhuis, waarna hij met een toevallig tegengekomen journalist een echt café bezoekt en dan ook echte caféverhalen over struikrovers en vals geld te horen krijgt. Daarbij maakte Icke vier illustraties. (Er verscheen een heruitgave in 2014: De rover was wel een edelman). Icke was als illustrator al minstens een jaar eerder, vanaf oktober 1946, betrokken bij het personeelsblad van de Nederlandse Spoorwegen. Het Kerstnummer 1947 bevatte naast reportages en nieuwe vooral oude en nieuwe gedichten en verhalen, waaronder een 'Kerstliedje' van J.H. Leopold.


Cor Icke, illustratie in
Nieuw Spoor (december 1947)
Icke werkte in 1948 mee aan een gedenkboek 'ter gelegenheid van het veertig-jarig bestaan van de Vereeniging voor Zuivelindustrie en Melkhygiëne': Van veertig zegenrijke melkjaren 1908-1948.  De drie melk-organisaties die later Wereldmelkboeren zouden bekostigen waren daarvan lid en misschien heeft Icke dus Carmiggelt zo aan de klus geholpen. Overigens wisten opdrachtgevers zelf Carmiggelt ook wel te vinden.




Foto's van de fabrieken in Vlaardingen, Leeuwarden en Rotterdam,
in: Van veertig zegenrijke melkjaren, 1908-1948 (1948)

Andere melkboeken

In 2011 organiseerde Stichting Henry Hudson 500 'Melkkleuren, een frisse blik op Nederland' en een van de manifestaties resulteerde in een boekje in keerdruk, met aan de ene kant het essay Boeteboeners van Tijs Goldschmidt en aan de andere kant een reeks gedichten van Mustafa Stitou: Koeiensuite.



Boeteboeners en Koeiensuite (2011)
In deze gedichten van Mustafa Stitou (zie ook de pagina's over Stitou op de KB-website) gaat het ook over stieren, maar er zijn enkele gedichten over melkkoeien en melk in opgenomen, een vrij zeldzaam thema in de Nederlandse poëzie.



Twee gedichten in Mustafa Stitou, Koeiensuite (2011)
Deze gedichten werden in 2013 opgenomen in de bundel Tempel. Ze gaan erom te kijken hoe dieren leven. Het eerste gedicht van de reeks benadert de gedachten van een koe (Doortje) die door een melkrobot zal worden gemolken; het tweede over een droom waarin dieren en doden optreden en waarbij hem door een dode vriend zwarte melk wordt aangeboden, die overigens smaakt

als gewone melk

uit de supermarkt

Niet alle melkboeken zijn positief. De bekendste anti-melkuitgave is Het witte gevaar van Erich Wichmann uit 1928.




Erich Wichmann, Het witte gevaar (1928)
Wichmann was een kleurrijke figuur met een aperte hekel aan melk en de promotie ervan. Hij protesteert bijvoorbeeld tegen de spreuk 'Melk is goed voor elk', om verschillende redenen. Ten eerste omdat de reclameleus een taalfout bevat (het zou 'Melk is goed voor iedereen' of voor 'een ieder' moeten zijn). Ten tweede omdat het rijm onnozel en kwekkerig is en ten derde omdat het niet waar is.



Erich Wichmann, Het witte gevaar (1928)
Wichmann kon zich goed kwaad maken en onderbreekt zichzelf graag voor een belediging, een sneer of een herhaling van zetten met citaten uit de bijbel of de literatuur. De zijpaden nemen het verhaal allengs over en het aandeel van de voetnoten op elke pagina groeit en groeit. Alleen op de eerste tekstpagina is de voetnoot nog beperkt tot de onderste drie regels. Ze zijn gedrukt in rood. Dat rode deel overwoekert al snel de normale in zwart gedrukte tekst. Op pagina 25 zijn er nog maar 3 tekstregels en 24 voetnootregels. In totaal bestaat 42 procent van de tekst uit voetnoten. Alles om te bewijzen:

Wij verrotten in den melkpoel. De witte vloed verzwelgt ons.  

Net als Carmiggelt, was Wichmann overigens alcoholist.