dinsdag 11 augustus 2015

78. Wat was vroeger een kunstenaarsboek?

Met de term 'kunstenaarsboek' wordt een kunstwerk in de vorm van een boek bedoeld. Maar hoe oud is die term?

Als je zoekt in Delpher - de website voor het zoeken in tijdschriften, kranten en (steeds meer) boeken - vind je als oudste vermelding van het woord een krantenartikel uit 1889, waarin kort de inhoud wordt besproken van het literaire tijdschrift De Gids.


De term komt voor als titel van de recensie door H.E. Sachse. De recensie ('Een kunstenaarsboek') bespreekt een deel van het gepubliceerde dagboek van de gebroeders De Goncourt. Het wordt een kunstenaarsboek genoemd omdat de auteurs denken als kunstenaars en de ziel van de kunstenaar blootleggen.  

Dit dagboek nu is van de hoogste waarde voor allen die, in de eerste plaats de beroemde tijdgenooten der Goncourts plastisch willen geheeld zien, maar ook de schrijvers zelven willen leeren kennen in de verborgenste trillingen van hun kunstenaarshart. En voor allen die willen weten hoe zij de schilderkunst in de literatuur hebben gebracht. Want daarom is dit boek een kunstenaarsboek, en moet men de schilders maar vooral de aquarellisten en etsers van onzen tijd volkomen kunnen begrijpen om de Goncourts in hun volheid te genieten.

Verderop in dezelfde recensie wordt de term nog een keer gebruikt, maar nu als aanduiding van een boek voor kunstenaars.

H.E. Sachse, 'Een kunstenaarsboek', in De Gids (1889)
Dat gebruik van de term is ontleend aan de kritiek van George Sand op de roman Salammbô van Gustave Flaubert. Zij vond dat een kunstenaarsboek, omdat het alleen gelezen zou worden door 'kunstenaars en erudieten'.

Van het Woordenboek der Nederlandsche taal verscheen in 1916 het deel met het woord 'kunstenaar' en de samenstellingen daarvan, zoals 'kunstenaarsblik' en 'kunstenaarsfamilie', maar het 'kunstenaarsboek' ontbreekt, zoals trouwens ook nog steeds in Van Dale's woordenboek.

In 1925 werd er misschien iets anders onder verstaan. In een advertentie verscheen het woord als een aanprijzing bij een volgens de uitgever succesvolle roman.


Nieuwsblad van Friesland, 24 november 1925
Die roman gaat over een jonge vrouw, getrouwd met een veel oudere man. Zij wordt verliefd op haar stiefzoon, die een priester is. De plot heeft niets te maken met kunstenaars, dus het kunstenaarsboek is hier opgevat als een buitengewoon kunstig geschreven boek. De schrijver is dus een ware artiest.

In 1954 werd de term opnieuw in een andere betekenis gebruikt. Het Limburgsch Dagblad publiceerde een verhaal over H. Tummers die in 1951 een jubileumboek samenstelde voor Marcel van Grunsven.  


Limburgsch Dagblad, 14 oktober 1954
Dat jubileumboek werd een 'kunstenaarsboek' genoemd, een bundeling van manuscripten van kunstenaars en 'andere vooraanstaande personen die zich voor het culturele leven in [de] gemeente Heerlen in bijzondere mate hebben geïnteresseerd',  aldus de beschrijving ervan in het Centrum voor regionale geschiedenis Rijckheyt.

Nieuwsblad van het Noorden, 8 december 1978
Moderne kranten zijn nog lang niet allemaal beschikbaar via Delpher. De eerste keer dat we - op dit moment - het woord kunstenaarsboek in de huidige betekenis tegenkomen is in 1978, in het Nieuwsblad van het Noorden.

In de jaren zestig komt de term kunstenaarsboek in gebruik, als vertaling van het Amerikaanse 'artist's book', waarvoor tegelijkertijd ook het begrip 'livre d'artiste' begint te circuleren. Die Franse term 'livre d' artiste' lijkt veel ouder te zijn, omdat Frankrijk al sinds ongeveer 1900 boeken kon zien waarvoor kunstenaars en auteurs en uitgevers samenwerkten: zo ontstonden boeken van Sonia Delaunay, Pablo Picasso en Henri Matisse. Dat soort boeken, met bijvoorbeeld originele schilderingen of met litho's, die verondersteld worden een dialoog tussen kunstenaar en auteur te representeren, zijn achteraf als 'kunstenaarsboek' gerangschikt. Termen als 'livre de peintre' of 'livre peint' schijnen ouder te zijn, maar dat moet ik nog verder uitzoeken.

Overigens komt in Frankrijk de term 'livre d'artiste' ook al vroeg in de negentiende eeuw voor, maar dan in de betekenis van een door een kunstenaar geschreven boek met herinneringen, opstellen over esthetiek of kunst. Zo is die term ook in Nederland gebruikt, bijvoorbeeld in Van onzen tijd in 1901/1902.


Van onzen tijd, 1901/1902
In 1832 werd de term in Frankrijk gebruikt door H.-L. Pelletier in het gedicht La typographie. Daarin wordt uitgelegd wat voor soort boek dat is: een boek waarvan de vormgeving zodanig is dat het een kunstwerkje is geworden en dat komt niet door toedoen van een kunstenaar, maar door de vakkundigheid van de zetter en de drukker, door de smaak van de uitgever, de kwaliteiten van de letterontwerper en de keuze voor een fraaie en gedegen papiersoort. Het gaat hier niet om illustraties of kunst, maar om pure typografie.


H.-L. Pelletier, La typographie (1832)

donderdag 30 juli 2015

77. Eigen roem... in Australië

Mijn collega Steven Claeyssens reisde naar een congres in Australië en vond daar in een boekwinkel in Sidney een mooie selectie boeken over typografie, vormgeving en de geschiedenis van uitgeverijen en drukkerijen. Zoals in Angelsaksische landen gebruikelijk waren er aanbevelingen van het personeel, met de hand geschreven op briefjes ter grootte van oude cataloguskaartjes. Eén van die aanbevelingen gold... The Ideal Book, het boek dat we in 2010 maakten over de geschiedenis van de Nederlandse private press.

Foto: Steven Claeyssens
Chloe had dit boek aangeraden: 'This is for true book lovers, absolutely beautiful!' 

Eerlijk gezegd, het is heerlijk om zoiets, vijf jaar na dato, van de andere kant van de wereld te horen.

maandag 27 juli 2015

76. Op reis in Nederland in 1885

Een aardig klein landje dat hij wel 'joli' vond, dat was Nederland in 1885 voor Cecil Standish. Hij bezocht maar enkele plaatsen: Dordrecht, Rotterdam, Den Haag, Scheveningen en Amsterdam. Wat hij in Nederland kwam doen, is niet helemaal duidelijk. Standish lijkt een man die zich geen zorgen hoefde te maken over geld, die geen beroep uitoefende, in zijn jeugd wat gedichten schreef, maar verder zomaar wat rondreisde. Hij had in elk geval een snor die nu weer helemaal in de mode is.

Portret van Cecil Standish

Globetrotter Cecil Standish

Cecil Standish (1852-1891) was de zoon van Charles Henry Noailles Widdrington Standish, wiens fortuin en grondbezittingen in Frankrijk en Engeland na zijn dood in 1883 overgingen op de twee zoons: Henry en Cecil. Henry huwde Hélène, die later (mede) model zou staan voor een van de hertoginnen in Marcel Prousts roman A la recherche du temps perdu. Zij haalde daarmee de eeuwigheid, maar Cecil was geen lang leven beschoren; hij klaagde regelmatig over 'des douleurs rhumatismales' (reuma) en overleed in Hyères op 22 februari 1891. Zijn broer verzamelde een aantal van zijn brieven en publiceerde die in 1893: Lettres de Cecil Standish. Het was niet Cecils eerste publicatie, want kort voor zijn dood had hij 'een Spaans verhaal' uitgegeven in het tijdschrift Revue des deux mondes, aldus het bericht van zijn overlijden in The Times. 

In 1874 en 1875 reisde Cecil Standish door de Verenigde Staten, in 1876 verbleef hij in Venetië en bekende dat zijn leven voornamelijk bestond uit het afleggen van beleefdheidsbezoekjes in Frankrijk en Engeland. Verder las hij kranten en historische boeken, bezocht hij af en toe een museum en woonde theatervoorstellingen bij. In 1879 reisde hij naar Spanje, in 1882 naar Rome, in 1884 naar Athene, vervolgens opnieuw naar enkele Spaanse steden waarna hij vanuit Santiago, via Antwerpen zijn weg naar Nederland vond. Voor de zekerheid liet hij zijn post intussen naar Brussel zenden. Na zijn Nederlandse 'vakantie' keerde hij er niet meer terug en verbleef hij, waarschijnlijk vanwege het klimaat, voornamelijk in Rome.

Twee weekjes in Nederland

Standish vertrok omstreeks 10 september 1885 vanuit Antwerpen naar Rotterdam en was op 22 september alweer in België. Twee weekjes Nederland maximaal dus. Hij vond er genoeg bezienswaardigheden, schreef hij aan zijn vriend Alain de Mérionec, en heel anders van karakter dan in zuidelijk Europa. Het Nederlandse leven was eenvoudig, makkelijk, de afstanden kort en transportmiddelen waren er genoeg. Een nadeel was het weer: 'Le ciel est un peu bas est ce que j'aime le moins; il est nécessaire au paysage'. Kortom: de luchten hingen er laag, zoals de dichter Marsman later schreef, met stoeten laaghangende wolken, maar ze waren nu eenmaal noodzakelijk in dit landschap - alsof het weer er in de eerste plaats was om onze landschapsschilders te plezieren.

Hij was via Dordrecht gekomen dat half in de zon, half in de schaduw lag, en daar vielen hem de enorme hoeveelheid bootjes op én de hoge bomen in het centrum. In Rotterdam had hij rondgewandeld, rondgedwaald, langs de kades, over pleintjes en langs kroegen tot hij bij een groot zwart huis kwam waar hij een tijdje stond te luisteren naar de muziek die er klonk en de liederen die er werden gezongen. Het bleek een muzikale vereniging te zijn. Hij bracht een bezoek aan het Schielandshuis, waarin toen Museum Boijmans gevestigd was. Meer dan dat er wat 'tableaux de mérite' (verdienstelijke schilderijen) hingen, zei hij er niet over. Het Mauritshuis in Den Haag bekoorde hem in hoge mate, met name de schilderijen van Rubens, sterker, hij schreef dat alle schilderijen er van belang waren, zelfs als ze niet aan zijn smaak beantwoorden. Ook de hoge bomen op het Voorhout bevielen hem; hij wandelde er terwijl hij een boek las (Le bachelier de Salamanque van Le Sage). Over Scheveningen vertelde Standish niet veel.


Standish in Amsterdam

In Amsterdam vielen de reiziger in 1885 natuurlijk de grachten op, maar ook de bomen en de vele tuinen. Het Nederlandse karakter zag hij door een clichématige bril: 'le caractère hollandais a quelque chose de propret, de soigné, de cossu.' Kortom: keurig, netjes, goedverzorgd. En hij waardeerde dat het zonder vertoon ging, zonder pretenties, zonder 'étalages': echte rijkdom. Iedereen was goed gekleed en wel doorvoed. Hij bezocht de verzameling van Van der Hoop aan de Keizersgracht met schilderijen van Vermeer die Standish bewonderde. Maar ook de stillevens met wild van Hondecoeter herinnerde hij zich goed. De conclusie van deze Hollandganger was: 'Il est excellent de voyager en Hollande, pour apprendre l'ordre en toutes choses!' Het is goed om naar Nederland af te reizen, om er kennis te maken met ordelijkheid op alle fronten.

Lettres de Cecil Standish (1893)

Waarom lees ik dit boek?

Ik las (een deel van) dit boek omdat het een van de vijf boeken is in de KB die oorspronkelijk op de plank stonden in Tite Street, Londen, in de bibliotheek van Oscar Wilde. Wilde kende Cecil Standish kennelijk (maar Standish komt niet voor in Wilde's correspondentie of biografie). Of Wilde het boek gelezen heeft is niet duidelijk, maar voorin schreef broer Henry Standish een opdracht aan de decadente dichter en toneelschrijver: 'To Oscar Wilde Esq. In remembrance of my brother. Henry Standish'. De KB bezit van deze gelimiteerde editie van 250 exemplaren nummer 136.

Destijds gekocht om de inhoud, de brieven van Standish (misschien wel vanwege zijn Nederlandse tour), is het boek nu toch meer van belang vanwege de herkomst en de associatie met Oscar Wilde.

zondag 5 juli 2015

75. Bertrand Dorny (1931-2015)

De Franse (boek)kunstenaar Bertrand Dorny is op 19 juni in Parijs overleden. Toen ik hem voor het eerst ontmoette, was hij al ruim 75. Zijn boeken kende ik al langer en de Collectie Koopman van de KB bevatte er enkele. In 2009 wilde Dorny graag een tentoonstelling van zijn werk in Nederland realiseren. Dat werd een evenement in Museum Meermanno: zijn nieuwe reeks boeken 'Oubli' werd er gepresenteerd. Het Nederlandse, afsluitende deel van de reeks bevatte een tekst door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes, vertaald in het Frans door Annie Kroon: Bibliofiele ontucht in vergetelheid, ofwel: Petites débauches bibliophiliques en déshérence.


Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes spreken over het kunstenaarsboek:
Bertrand Dorny (met bril) luistert (15 november 2009)
[links van Dorny: kunstenares Julie Ganzin, rechts: Aafke Boerma van Museum Meermanno en Luuk Kroon]
Librairie Nicaise uit Parijs zorgde ervoor dat er die middag heel veel boeken konden worden bekeken. Daarvan zijn er een groot aantal aangekocht voor de Collectie Koopman, zodat van zijn werk als boekkunstenaar daar nu een mooie doorsnede is te vinden. Op zijn eigen website zijn er meer dan 600 beschreven. In de jaren zeventig en tachtig maakte hij voor proza en poëzieuitgaven gravures, in een combinatie van technieken: kopergravures, etsen, kleurenetsen, uitgeknipte vormen, opgeplakte lagen papier, preegdruk, blinddruk en collage. Toen de grote Franse drukkerijen van het toneel verdwenen, begon hij de teksten van zijn schrijversvrienden zelf te 'drukken', dat wil zeggen te stempelen met de kleine rubberen letters van een spel: een postkantoortje voor kinderen. De speelsheid daarvan zette hij door in de boeken die zo ontstonden. Als hij een fout maakte in de tekst, liet hij die staan en nam hij een correctie op in een voetnoot. De regels dansen altijd een beetje. Handwerk moest je zien, anders kon je het net zo goed laten. Bertrand was een beminnelijke levensgenieter, die elke keer als ik hem zag vertelde dat hij net zijn laatste boek af had gemaakt en dat hij nu geen boeken meer zou maken; het was klaar. Maar elke keer kreeg hij weer een nieuw idee voor een boek en ging hij door.


Bertrand Dorny (beeld) bij tekst van Michel Butor (Caractères, 1993)
De laatste keer dat ik Bertrand zag was bij mijn bezoek aan Parijs in december vorig jaar. Bertrand en zijn vrouw Anne Walker beloofden mij toen dat zij - voor het eerst - samen een boek zouden illustreren, zodat ik dat kon opnemen in mijn voorgenomen tentoonstelling in 2016 in New York. Verder dan de dummy is het niet gekomen helaas. Voordat we aan tafel gingen liet hij me trots de catalogus Éloge de la rareté zien: een keuze van honderd boeken uit de Bibliothèque nationale de France. Éen daarvan was van hem. Hij was er trots op, maar zei in één adem door dat al die tentoonstellingen van boeken hem niet meer zo konden boeien...

zaterdag 27 juni 2015

74. De ongeziene drukker

Aan boord van de Vera, het schip dat vaart van Veracruz naar Bremerhaven (zoals beschreven in de roman Ship of Fools van Katherine Anne Porter), wordt een nieuwskrantje gedrukt El Pi-pi Diario - het kleine dagblad, maar pipi slaat natuurlijk ook op pissigheden.

Katherine Anne Porter, Ship of Fools (1962)
Terwijl ik het boek las, merkte ik dat dit krantje een dramatisch effect in de roman had, maar ik vroeg mij af of de zetters en drukkers zelf, of de drukkerij, verder een rol in de roman zouden spelen.

De scheepspers ('the ship's press') wordt genoemd in verband met het satirisch bedoelde krantje van een groep medische studenten, maar we komen onder de talloze karakters in de roman wel pursers, stewards, de kapitein, de scheepsarts, en ander personeel tegen, maar geen zetters of drukkers.

Wel blijkt er aan boord een kleine bibliotheek te zijn, waarvan La Condesa, zoals de revolutionaire gevangene uit Cuba bekend staat, veel gebruik maakt.

"Romans policiers," said the Doctor. "The students bring them to her from the ship's library. She tells me there is a fine collection on board." (p. 226)

De kapitein blijkt niets van een scheepsbibliotheek af te weten en kan zich niet indenken hoe die romans aan boord van zijn schip gekomen zijn (je proeft een zekere weerzin tegen boeken). Inderdaad heeft het schip geen bibliotheek, maar wel een schrijfkamer, en bij de boeken gaat het om een reeks detectives die door passagiers is achter gelaten op het schip.

Scheepsbibliotheek (eigenlijk schrijfkamer) aan boord van de Roussillon (1936)
Er waren wel degelijk schepen uitgerust met goede bibliotheken, maar veel scheepsbibliotheken op afbeeldingen tonen geen enkel boek, geen boekenkast, maar wel schrijftafels, bureaus voor correspondentie, of kleine leeszalen. In de roman beschikt het schip Vera over een schrijfkamer.

De aan boord gedrukte krant El Pi-pi Diario wordt kennelijk alleen door de studenten zelf gelezen (dat geldt natuurlijk voor veel literaire en humoristisch bedoelde tijdschriften), zoals Porter meldt:

their newspaper, read by no one but themselves (p. 341)

Uit verveling bloedt het krantje dood en bekeren de studenten zich tot schaaktournamenten en pingpong.

Toch wordt er nog steeds gedrukt aan boord. Sommige studenten spannen samen met een gezelschap (eigenlijk een bende) Spaanse dansers en produceren voor hen een nieuw krantje:

"They are publishing some kind of paper again," she told him. "Something for those Spanish dancers. I saw them all reading a printed sheet together and laughing." (p. 343)

Dat is niet de laatste keer dat er naar aan boord gedrukte teksten wordt verwezen. Door de ontwikkelingen tijdens de reis beginnen reizigers zich steeds meer te interesseren voor het zogeheten 'bulletin board'. Daarop worden met punaises berichten vastgepind die (in elk geval deels) gedrukt zijn op de scheepspers.

The bulletin board was the object of uneasy curiosity. It had bloomed out in a number of boldly printed notices, each printed separately and posted flat with thumbtacks. (p. 346)

Het betreft korte beledigende teksten waarvan de personages met naam en toenaam worden genoemd en als de scheepsdokter en La Comtesa zelf worden beledigd verscheurt de dokter een dergelijk bericht voor de ogen van de dansers. Hij wordt uitgelachen.

De teksten worden kennelijk 's nachts gedrukt en hangen de 'next morning' op het 'wallboard in the bar' (p. 351).

Het mededelingenbord is bezaaid met berichten over: 

ship departures and arrivals, maritime strikes and other disturbances in world ports; troubles in Cuba, troubles in Spain, troubels in Germany, knots, latitudes, longitudes, sun risings and settings, phases of the moon, today's prophecies of weather for tomorrow; besides the games and horse races and moving pictures and the ship's pool (p. 403).

Intussen komen we niets te weten over papiersoorten, lettertypen, de zetters en drukkers en de ruimte waar die mededelingen gedurende de nacht worden gezet, in proef gedrukt, geredigeerd, herzien en gedrukt, of hoe ze aan boord worden gedistribueerd. 

Nadat de beledigende berichten van het bord worden geweerd, verschijnen 'scarcely scattered notices' over de volgende haven (p. 354), wat suggereert dat er meerdere plaatsen zijn waar ze worden opgehangen of uitgedeeld.

Bijna aan het einde van de reis - als de dansgroep/dievenbende van boord is en de studenten in de komende haven van boord zullen gaan - wordt iets gezegd over de stijl van het ontwerp:

A ragged-edged imitation of an ancient proclamation (p. 481).

Het door de dansgroep eerder georganiseerde gala loopt uit op drankmisbruik en vechtpartijen en in de loop van de nacht bezoeken een aantal passagiers in gezelschap van 'junior officers' ongeveer het hele schip: de bakkerij, de kombuis, de officiersmess, de machinekamer, terwijl dienbladen met 'cognac, Chartreuse, port, Amer Picon, Rhine wine, and German champagne' in ieder vertrek, op ieder dek, worden aangedragen (p. 459).

Maar de zetterij/drukkerij blijft onbezocht en onbenoemd. Zetters en drukkers dansen en drinken niet mee. Kennelijk.

vrijdag 12 juni 2015

73. Drukken aan boord van de Vera

Ik ben een roman aan het lezen van Katherine Anne Porter, haar enige roman, Ship of Fools uit 1962. Porter (1890-1980) schreef vooral korte verhalen en de roman is eigenlijk een aaneenrijging van scènes die als korte schetsen geschreven zijn. Het verhaal speelt zich af aan boord van een schip, de Vera, die van Veracruz in Mexico naar Bremen in Duitsland vaart.

De Werra
In werkelijkheid maakte Porter die reis dertig jaar voordat ze haar roman publiceerde, in augustus-september 1931, aan boord van de Werra, een schip van de Norddeutscher Lloyd. Dat schip was in 1923 in de vaart gekomen en werd vooral ingezet tussen La Plata in Argentinië en de thuishaven Bremen. Uit brieven van Porter weten we dat in haar roman de werkelijke gebeurtenissen vrij getrouw worden gevolgd. 


De Werra in 1936, na de verkoop aan Italië en inmiddels omgedoopt tot Caladonia
Porter maakte de reis samen met haar derde echtgenoot, Eugene Presley. Dat huwelijk duurde van 1930 tot 1938, het was een van haar langere huwelijken. Het eerste met John Henry Koontz begon in 1906 en eindigde in 1915, het tweede met Ernest Stock was kort, van 1926 tot 1927, en het vierde met Albert Russell Erskine Jr nam een aanvang in 1938 en liep ten einde in 1942. Van de verhalen en journalistieke stukken die zij in die tijd schreef kon ze niet leven, het grote succes kwam pas met de roman, die ironisch genoeg niet haar sterkste werk is. Van de korte verhalen - mijn favorieten - zijn er een aantal in het Nederlands vertaald onder de titel Middagwijn en andere verhalen (1988), vertaald door Jo Fiedeldij Dop (1911-2000). De roman Ship of Fools werd in 1962 vertaald als Het narrenschip door J.F. Kliphuis. 


Darlene Harbour Unrue, Katherine Anne Porter. The Life of an Artist (2005)
De Werra (in het boek de Vera) kon 145 tweedeklas-passagiers aan boord nemen en 818 derdeklas-passagiers en Porter beschreef er een groot aantal, waaronder een Zwitsers meisje met overgewicht, een Spaanse 'zarzuela'-dansgroep, een stervende man in een rolstoel, studenten die hun studie geneeskunde in Spanje wilden voltooien, een Cubaanse revolutionaire (tevens krankzinnige) en een groep van 876 Spaanse arbeiders die Cuba waren uitgezet omdat er gebrek aan werk was. De rest bestond voornamelijk uit Duitsers: 'Herr Doktors, and Herr Professors and Herr Engineers and all that', zoals Porter schreef aan een vriendin.

In de roman zijn de studenten op weg naar Montpellier (in plaats van het Spaanse Gijon) en associëren zij zich met de geheimzinnige, verwarde en chique Cubaanse revolutionaire die eigenlijk als gevangene aan boord mee reist, maar redelijk vrij kan rondlopen omdat de kapitein nogal wat égards voor haar heeft. De studenten houden samenzweerderige bijeenkomsten en proberen een en ander geheim te houden.

De passage die mijn aandacht vasthield - en de reden voor dit blog - is de volgende:

It became known however that they called themselves "Les Camelots de la Cucaracha," and they published on the ship's press every morning copies of a miniature newspaper bearing in highly visible type the banner El Pi-pi Diario. Midmorning they were often seen going into La Condessa's stateroom, and coming out being a little boisterous among themselves later; and one day in the small writing room off the bar, they held a meeting and elected La Condesa president, or Cockroach Extraordinary. 
(Ship of Fools, 1962, pagina 171)

De Nederlandse vertaling van het deel over het scheepsdrukwerk luidt:

Toch raakte bekend dat ze zichzelf 'Les Camelots de la Cucaracha' noemden; ze publiceerden op de scheepspers iedere ochtend een miniatuurkrantje, waarvan de naam El Pi-pi Diario echter met grote letters was gedrukt. 
(Het narrenschip, 1962, p. 168)

Zulke kranten, ook onder redactie van passagiers, werden in die tijd aan boord van veel passagiersschepen gedrukt, net als alle menukaarten voor de maaltijden in de verschillende klassen. Daarvoor was aan boord een meestal kleine drukkerij ingericht. Ik publiceerde daarover jaren geleden alweer een artikel: 'Stampen, rollen, schudden, zetten. De Nederlandse scheepsdrukkerij', verschenen in Bijzonder divers. Studies over opmerkelijk drukwerk uit de twintigste eeuw (Den Haag, Amsterdam, 2007, p. 71-93).

Ik verzamel nog steeds gegevens over drukwerk en drukkerijen aan boord van Nederlandse schepen. Als u nog iets vindt, houd ik me aanbevolen.

Porters korte scène is een zeldzaam voorbeeld van het overleven van dit soort drukwerk in een roman. Zijn er ook Nederlandse romans waarin scheepsdrukwerk wordt genoemd?

Ik heb Ship of Fools nog niet uit, dus misschien kom ik nog meer tegen over de scheepsdrukkerij...

donderdag 4 juni 2015

72. Bregje Hofstede ontvangt eerste Louis Koopman-stipendium

De Koninklijke Bibliotheek en de Stichting Fonds Anny Antoine/Louis Koopman hebben Bregje Hofstede het eerste Louis Koopman-Stipendium toegekend om onderzoek te doen naar eigenhandig geschreven teksten in kunstenaarsboeken. Zij zal het komende jaar onderzoek doen naar de manier waarop auteurs en kunstenaars de beeldende mogelijkheden van handgeschreven tekst in hun boeken hebben gebruikt.

Pierre Reverdy, Pablo Picasso, Le chant des morts (1948)
Bregje Hofstede onderzoekt een soort niemandsland tussen beeldende kunst en literatuur, waarin we de overgang zien van beeldende kunst naar typografie, met daartussen geschreven, ‘getekende’ of geschilderde teksten. Een goed voorbeeld is Pierre Reverdy die samenwerkte met Picasso aan het boek Le chant des morts (1948). Daarover schreef Hofstede al eerder een bijdrage aan de website van de KB: Het handschrift in Le chant des morts. Het hele boek is door de dichter zelf uitgeschreven en op ware grootte gereproduceerd - en dat is tamelijk groot want elk pagina is 43 centimeter hoog.

Nu zal Bregje Hofstede ook veel andere boeken uit de Koopman Collectie betrekken in haar onderzoek en die omspannen ongeveer de hele twintigste eeuw, bijvoorbeeld Blaise Cendrars en Fernand Légers La fin du monde, filmée par L’Ange N.-D. uit 1919, waarin de tekst weliswaar gedrukt is, maar waarbij de illustraties van Léger letters, veelal reclameletters, bevatten. Een ander voorbeeld is Huit jours à Trébaumec van Georges Hugnet uit 1969. Dat boek bevat collages van Hugnet en daarnaast door hem geschreven teksten uit een (namaak) reisdagboek.


Georges Hugnet, Huit jours à Trébaumec (1969)
Een meer recent boek is van kunstenaar Joël Leick, die zijn dagboek schrijft tussen zijn eigen collages van foto's en schilderingen: L'aspect des choses (1904). Dit boek is niet in een oplage verschenen, het is een uniek object met originele foto's, schilderingen en teksten in handschrift.


Joël Leick, L'aspect des choses (1904)
Na afloop van haar studie zal Bregje Hofstede een lezing geven over haar onderzoeksresultaten. Ik ben er zeer benieuwd naar.

Bregje Hofstede (1988) is schrijver en kunsthistoricus. Zij ontving de Hollands Maandblad-aanmoedigingsbeurs 2012/2013 en publiceerde in 2014 haar debuutroman De hemel boven Parijs (Uitgeverij Cossee). Hofstede publiceerde over illustratiekunst, onder andere in het recente boek De verbeelders (2014).