zondag 12 maart 2023

338. James Purdy en zijn Nederlandse uitgevers

De Amerikaanse auteur James Purdy heeft onlangs zijn biografie gekregen, die een wat ander beeld schetst van deze auteur dan misschien eerder bekend was, maar die tegelijk laat zien wat een complexe persoonlijkheid hij was. Zelf heb ik zijn korte verhalen altijd beter gevonden dan zijn toneelstukken en romans (met uitzondering van enkele romans zoals  Malcolm en The Nephew) en naar aanleiding van deze biografie heb ik bij herlezing vastgesteld dat sommige van zijn door medeauteurs bewonderde romans mij overdreven raarsoortig aandoen (zoals I am Elijah Thrush) - maar vanwege zijn gedichten en korte verhalen is hij een van de interessanter Amerikaanse auteurs van de jaren zestig tot negentig. Zelf vertaalde ik voor het tijdschrift Maatstaf ooit het korte verhaal 'Sleep Tight' als 'Slaap lekker' (in 1987 - ik zou het nu heel anders doen). [Lees dit hier bij DBNL.]

Michael Snyder, James Purdy.
Life of a Contrarian Writer 
(2022)

Wat me aan de biografie beviel waren enkele revelaties: dat hij in zijn jongere jaren een goedlachse man was bijvoorbeeld (later ook wel, maar toch af en toe nogal wantrouwig) en dat hij weliswaar een vriend had maar daarmee niet kon samenwonen (en andersom), maar dat hij altijd weer, door zijn reserve, charme en boeiende verhalen jongere vrienden kreeg die voor hem wilden zorgen of hem inspireerden: hij liet ze bij voorbeeld zijn nieuwe teksten aan hem voorlezen - en als ze dat in hun nakie wilden doen vond hij dat prima (al had hij al jaren geen seksleven meer).

De biografie heeft nogal een en toen en toen en toen verteltrant, waarbij ik door de opsommerigheid het zicht op het leven vaak kwijtraakte. 

Wie de index bekijkt mist de Nederlandse uitgevers - uitgeverij Contact bijvoorbeeld wordt niet genoemd (het boek is nu eenmaal een biografie, geen bibliografie) en Johan Polak ontbreekt in de index, net als Adriaan van Dis, die Purdy's enige televisie-interview afnam. Wel in het register staat Jan Erik Bouman uit Utrecht, die enkele private press uitgaven van Purdy in Nederland verzorgde (1993-2004) - nadat Ger Kleis (Sub Signo Libelli, 1985-1992) dat ook al deed - diens naam ontbreekt in het boek en in het register. Ook de Avalon Pers en de Regulierenpers gaven teksten van hem uit, die laatste echter in al te intieme oplagen. 

Voor wie het register wil completeren zijn hier aanvullende gegevens:

Athenaeum-Polak & Van Gennep: p. 307, 320, 321
Avalon Pers: p. 330
Bosch, Ad ten: p. 321, 322 
Bouman, Erik Jan: [behalve de genoemde pagina's in de biografie-index:] p. 324, 330, 352, 354
Dis, Adriaan van: p. 321
Hugin & Munin: p. 330, 352
Kleis, Ger: p. 321
Nederlandse filmploeg: p. 315
Nederlands televisiepubliek: p. 3
Polak, Johan: p. 307

Noot
Deze tekst is op 12 maart 2023 herzien dankzij aanvullende gegevens van Evert-Paul Veltkamp.

vrijdag 10 maart 2023

337. Menno ter Braak over de omvang van de KB

Een van de bezoekers van de KB in de jaren dertig - vlak voor de Tweede Wereldoorlog - was de criticus en auteur Menno ter Braak. In de krant Het Vaderland publiceerde hij op 5 november 1938 een artikel over de 'Koninklijke Bibliotheek'. Het werd herdrukt in de postuum verschenen bundel Reinaert op reis (Amsterdam, Het Zwarte Schaap, 1944 - zie ook Delpher).

Menno ter Braak,
Reinaert op reis (1944)

Ter Braak zag de hoeveelheid boeken die de KB aankocht destijds toen het nog in het monumentale maar altijd te kleine pand aan het Voorhout was gevestigd - plannen voor bijgebouwen en nieuwbouw werden toen al bedacht. Ter Braak fantaseerde over de omvang van een toekomstige KB:

Bij het vernemen van zulk een perspectief denkt men soms even aan het jaar 2000, 2500, 3000. Zal dan de Koninklijke Bibliotheek een gansche wijk beslaan? Zal de specialisatie haar dwingen het Tournooiveld te verslinden, den Koninklijken Schouwburg op te vreten, het Staatsspoorstation te annexeeren? 

Maar nee, dacht hij - de bibliotheek zal zich wel moeten specialiseren:

Maar Kronos, die zijn eigen kinderen consumeerde, zal, vermoed ik, met het specialisme der Europeesche cultuur wel eerder korte metten maken. Ik voeg er bij: helaas, want het specialistisch waterhoofd heeft toch grooter charmes dan een genummerd eenheidsprofiel.

Dat de KB niet een hele Haagse wijk beslaat nu, zal hem desondanks gerust hebben kunnen stellen, al is de specialisatie nog strikter uitgevallen dan hij toen kon bedenken.

maandag 6 maart 2023

336. Fictieve bezoekers van de KB (4)

De fictieve bezoeker in de roman Ondergang is een beetje een raadsel: hij was van huis uit rijk, had zijn zaken als 'direkteur der fabrieken van de familie' verwaarloosd, gaf teveel geld uit en had zich bovendien laten bestelen - daarover ontstond ruzie met zijn familie, waarna hij het ouderlijk huis verliet, naar Engeland reisde en daar werk ging zoeken. Dat lukte niet echt, hij wordt er keer op keer ontslagen en het gaat van kwaad tot erger: hij eindigt in de goot, of eigenlijk in de Thames, wordt weliswaar gered, maar blijkt dan nog maar kort te leven te hebben.

A.M. de Jong, Ondergang (1916)


De roman uit 1916 is geschreven door A.M. de Jong (1888-1943), die in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw een van de meest gelezen auteurs van Nederland werd. Vooral zijn Merijntje Gijzens jeugd was een bestseller, met herinneringen aan het Noord-Brabant van zijn jeugd. Maar net zo populair, zo niet nog meer gelezen, was zijn controversiële stripverhaal over Bulletje en Boonestaak dat vanaf 1922 verscheen met tekeningen van George Van Raemdonck. 

De Jong was een socialist, die in de jaren dertig voor de VARA werkte en die in de oorlog werd geëxecuteerd door SS'ers.

Ondergang. Een levensfragment is gebaseerd op het leven van een Delftse vriend van De Jong, Willem van Eyk. De Jong citeerde brieven van zijn vriend in een feuilleton in het tijdschrift De Notenkraker. Daarin heette het verhaal nog 'Uit het dagboek van Long Bill'. De Jong schonk het honorarium aan Van Eyk (zie de biografische schets door Herman Tromp).

In Londen laat De Jong zijn hoofdpersoon als werkeloze de warmte opzoeken van leeszalen - een niet ongebruikelijk verschijnsel in die tijd - en trouwens, daar is weinig in veranderd. Openbare bibliotheken zijn ook een soort buurthuizen en opvangplekken voor niet-lezers. 

Het boek is genoteerd als een dagboek. Op 'Dinsdag 12 oktober' staat er:

Ik zit in een openbare bibliotheek en schrijf dit op.
(A.M. de Jong, Ondergang. Een levensfragment. Bussum, C.A.J. van Dishoeck, 1916, pagina 32)

Op 21 oktober noteert hij:

Weer zit ik in een leeszaal van een bibliotheek te schrijven... Weer werkloos... Ik ga niet naar m'n kamertje. Het is hier warmer...
(pagina 47)

A.M. de Jong, Ondergang (1916), pagina 49

Maar de protagonist wordt met zijn ongeschoren uiterlijk en groezelige kleding wantrouwig bekeken door het personeel en door de overige bezoekers die er zelf 'goed gekleed en weldoorvoed uitzien'. 

En hij kent het gedrag van de andere bezoekers maar al te goed. Ooit was hij net als zij goed gekleed, fris gewassen, netjes geschoren en 'zeker van straks een goed maal te vinden'. 

Ik weet het toch! Ik heb toch zelf ook in de leeszaal van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag zitten werken!
(pagina 49)

In welk stadium van zijn - rijke - verleden hij in de KB zat te studeren wordt er niet bij verteld en omdat hij als 'fabrikant' waarschijnlijk niets te zoeken had in de KB, zal het tijdens zijn studententijd moeten zijn geweest.

De Jong zelf had een opleiding aan de Normaalschool gevolgd en verbleef weliswaar in de buurt van Den Haag - hij woonde vanaf 1897 tot 1916 in Delft - maar of hij zelf de KB ooit bezocht is onduidelijk, zij het niet onwaarschijnlijk. Nogal wat onderwijzers zoals hij raadpleegden de collectie van de KB.

De KB viert haar 225-jarig bestaan.


maandag 20 februari 2023

335. Fictieve bezoekers van de KB (3)

In 1911 verscheen bij uitgeverij Veen een roman van Max van Ravestein. Dit was een mannelijk pseudoniem van een vrouwelijke schrijver, namelijk Nicolina M.C. (Marie) Sloot (1853-1927) die ook publiceerde onder de naam Mathilde en bovendien de naam Melati van Java gebruikte. Van Ravestein publiceerde vijf boeken (tussen 1908 en 1922), Mathilde twaalf boeken (van 1872 tot 1920), maar Melati's naam verscheen in achtenvijftig boeken (tussen 1874 en 1922). De boeken onder die laatste naam waren het meest populair en werden tijdens haar leven vaak herdrukt. Een biografische studie door Vilan van de Loo verscheen in 2016: Melati van Java (1853-1927). Dochter van Indië.

Max van Ravestein, Aan d'overkant (1911)
[Herbonden exemplaar, KB, Den Haag]

Sloot werd geboren in Semarang in een Nederlands, katholiek gezin. Haar grootmoeder was een Indonesische. Vanaf 1871 woonde de familie eerst tijdelijk in Den Haag, daarna enige jaren in Roermond en vanaf 1881 in Amsterdam. Vanaf 1883 woonde Marie Sloot er samen met haar nichtje Lina Schefler, die zij in brieven soms aanduidde als 'mijn vrouw'. 

Zij schreef 'romantische romans', zoals een van haar uitgevers ze noemde. In sommige daarvan komen lezers en bibliotheken voor en dat is maar één keer de Koninklijke Bibliotheek. Die komt zijdelings aan de orde in de roman die zij in 1911 publiceerde onder de naam Max van Ravestein: Aan d’overkant.

Een van de personages is Mita Elspeet die getrouwd is met een dorpspredikant, dominee Wegers. Ze wonen in een welvarend dorp in Overijssel, het denkbeeldige Varenberg. Hij gunt haar op een bepaald moment een middagje met haar zussen in Scheveningen - haar zus Louise woont met haar Alfred in Den Haag:

Max van Ravestein, Aan d'overkant (1911), p. 291

En dan kom ik je afhalen - zoo moedigde hij zijn vrouw aan - ik moet toch naar de Koninklijke Bibliotheek een paar oude handschriften raadplegen. (Aan d’overkant. Amsterdam, L.J. Veen, 1911, p. 291).

Een ander personage is Mia die als kind een kleine privéverzameling bezat - opvallend genoeg met een katholiek boek: Navolging van Christus. Ze treedt later in een klooster. Het drama in de roman is dan ook gebaseerd op geloof: de domineezoon Bruno bekeert zich tijdens zijn studie voor predikant tot het katholicisme. Het boek is omschreven als: een '"fel-kritische" roman, over de verschillen tussen man en vrouw, de Nederlandse en Indische maatschappij, over zelfmoord en de eventuele schuld daaraan, over de strijd tussen katholieken en protestanten' (lees hierover de blog Kalfjes van Wilm Kalb).

Max van Ravestein, Aan d'overkant (1916)


De vraag welke handschriften de predikant wilde raadplegen in de KB speelt geen enkele rol in het boek - een antwoord komt er dus niet. De KB als excuus voor een bezoek aan Den Haag lijkt dan ook een kunstmatige greep.

In sommige andere romans van deze auteur komen ook bibliotheken voor, onder andere in landhuizen met Engelse tuinen (Dorenzathe) of in een kasteel (Ontmaskerd). Het zijn soms plekken om in alle rust brieven te schrijven of te lezen (Hermelijn en De freule) of de bibliotheek is juist een plek waar je niet wilt zijn (Vriendinnen). 

De bibliotheek kan ook gezien worden als een oord dat niets bijdraagt aan de opvoeding van meisjes (Miss Campbell en andere verhalen). Aan de andere kant, kunnen 'Leesmuseum en Universiteits-bibliotheek' juist een plek zijn waar je enkele uren per dag wilt doorbrengen, als je een man bent (Herfstdraden), of waar je tegen je melancholie kunt vechten (La Renzoni). Verder passeert in Sloots oeuvre nog een te bezichtigen kloosterbibliotheek de revue (Bij ons).

De KB viert haar 225-jarig bestaan.


vrijdag 10 februari 2023

334. Fictieve bezoekers van de KB (2)

Jeanne Reyneke van Stuwe (1874-1951) is beter bekend als Jeanne Kloos-Reyneke van Stuwe - in 1900 huwde zij de voorheen decadente dichter Willem Kloos. Zij had toen al twee romans op haar naam staan, de tweede heette Hartstocht en verscheen in 1899.

Jeanne Reyneke van Stuwe, Hartstocht (1899)

Ze woonde in Den Haag en was er geregistreerd als 'letterkundige'. Veel van haar romans spelen zich in de societykringen van die stad af. 

Jeanne Reyneke van Stuwe, Hartstocht
(derde druk, 1913)

Hoofdfiguur van Hartstocht is de rijke Hagenaar en jurist Felix van Weert van Oldenhagen, een Don Juan die uiteindelijk krankzinnig sterft. 

Zijn vriend Jacques - met wie hij lid is van een amateurtoneelgezelschap - gaat op een gegeven moment een regelmatiger en kalmer leven leiden. Je zou het een bekering kunnen noemen. Uit liefde voor zijn vriendin wil Jacques een boek schrijven.

Jacques, lezen we dan,

die met koortsachtigen ijver werkte, om in den kortst mogelijken tijd zijn boek af te hebben. Den middag bracht hij meest door op de Koninklijke Bibliotheek, maar anders ging hij bijna niet uit.
(Jeanne Reyneke van Stuwe, Hartstocht. ’s Gravenhage, Veenstra, 1899, p. 246.) 

Hier zien we, als het ware, ijver en geestelijke hartstocht gelijkgesteld worden aan een studieus leven, oftewel een verblijf in de Koninklijke Bibliotheek, terwijl de lichamelijke hartstocht geschetst wordt als ontrouw, bandeloosheid, waardoor de hoofdfiguur zich uiteindelijk in het verderf zal storten.

De keuze lijkt niet moeilijk tussen hartstocht en bibliotheekpas.


Jeanne Reyneke van Stuwe, Hartstocht
(tweede druk, c. 1900?)
[origineel in kleur]


Lees hier de complete roman op DBNL. 

De KB viert haar 225-jarig bestaan.



woensdag 25 januari 2023

333. Fictieve bezoekers van de KB (1)

Dit jaar bestaat de KB, nationale bibliotheek, 225 jaar en natuurlijk wordt daar aandacht aan besteed; wie van ons zal tenslotte ook het 250-jarig bestaan beleven? Beter vandaag gefeest!

Vanwege het jubileum begint hier een reeks over fictieve bezoekers: romanpersonages die in de loop van het verhaal de bibliotheek binnenlopen.

Frans Netscher (1893)


Een voor de KB in het fin-de-siecle typerende bezoeker is de hoofdpersoon van de roman Egoïsme van Frans Netscher uit 1893.

Frans Netscher, Egoïsme (1893) 



Zijn naam is Frits. Na zijn studie is hij bij een ministerie in Den Haag gaan werken en op een gegeven moment krijgt hij politieke aspiraties (deels aangepraat). Hij stelt zich verkiesbaar voor de gemeenteraadsverkiezingen, wordt daadwerkelijk gekozen en neemt dan ontslag als ambtenaar. Zijn leven als raadslid is redelijk ontspannen. Meestal zit hij thuis aan zijn werktafel. Hij heeft al een enkele brochure en een aantal artikelen geschreven en bedenkt dat het goed zou zijn om een overzicht te maken van het Europese Lager Onderwijs. Daarbij moeten dan vooral veel tabellen met getallen komen. Het moet wel de indruk van geleerdheid en beslistheid maken. 

Voor dit compilatie-werk moest hij natuurlijk allerlei buitenlandsche geschriften en tabellen raadplegen, die niet in zijn bezit waren; dagenlang bracht hij op de Koninklijke Bibliotheek door, waar men hem gedurende eenige weken op de Leeszaal kon aantreffen, omgeven door dikke boekdeelen, het hoofd gebogen over graphische voorstellingen, uittreksels makend, aanteekeningen verzamelend.
(Frans Netscher, Egoïsme. Deel 1. Amsterdam, Van Holkema en Warendorf, 1893, p. 185.)


De KB viert haar 225-jarig bestaan.


dinsdag 20 december 2022

332. E. du Perron op afwijkend papier

In 1989 verscheen bij Van Oorschot de dertiende, vermeerderde druk van Het land van herkomst door E. du Perron. De oorspronkelijke editie zag het licht in 1935. Op de achterzijde van het papieren omslag - en op het buikbandje - staat vermeld dat er voor het eerst 453 autobiografische aantekeningen van de schrijver aan zijn toegevoegd.

E. du Perron, Het land van herkomst (1989)

Het boek werd gedrukt door de Koninklijke drukkerij G.J. Thieme bv te Nijmegen - een van de vele drukkerijen die niet meer bestaat. Het jaar 1989 was voor de drukkerij omineus: de drukkerij stond in 1989 ten grondslag van de Thieme GrafiMedia Groep die nog geen twintig jaar later failliet ging.

Bij het drukken van Het land van herkomst ging dat jaar iets mis. Een deel van het boek is op donkerder (geworden?) papier gedrukt wat goed te zien is als we de sneden van enkele exemplaren naast elkaar leggen. Van de zijkant is het donkere goed van het wittere papier te onderscheiden.

Drie KB-exemplaren van
E. du Perron, Het land van herkomst (1989)
 

Ook de snede aan de onderzijde van het boek laat duidelijke verschillen zien.

Twee KB-exemplaren van
E. du Perron, Het land van herkomst (1989)

In het (door de KB gebonden) exemplaar zijn pagina's 49-240 op donkerder papier gedrukt (aanvraagnummer: 7407 H 7). [Een vierde niet-KB-exemplaar laat hetzelfde patroon zien.]

In het bij het Depot binnengekomen exemplaar zijn pagina's 49-192 op donkerder papier gedrukt (aanvraagnummer: 2027893).

In het exemplaar in de Du Perron-collectie zijn pagina's 49-96 en 145-240 op donkerder papier gedrukt (aanvraagnummer: KW 2293 A 163).

De drie exemplaren hebben gemeen dat de pagina's 49-96 en 145-192 op donkerder geworden papier zijn gedrukt. Verder zijn er verschillen voor de pagina's 97-144 en 193-240.

Dat betekent dat er tijdens het drukken donkerder papier is ingezet voor sommige vellen. Marc Beerens wees me erop dat het verschil tussen houtvrij en licht houthoudend papier niet altijd te zien is en dat de verkleuring dus in de loop der jaren kan zijn ontstaan, wat overigens dan wel in alle exemplaren gelijkmatig en identiek gebeurd is. 

Was het wel zichtbaar geweest, dan zou uitgeverij de partij natuurlijk moeten afkeuren, tenzij haast voor een presentatie en/of een fijne korting aanleiding waren de partij zo te accepteren. 

Het boek verscheen begin november 1989 (het Depot-exemplaar werd beschreven op 8 november).

Het was dus gedrukt op twaalf drukvellen van elk 48 pagina's:
1-48 [op houtvrij papier]
49-96 [op licht houthoudend papier]
97-144 [op houtvrij en op licht houthoudend papier]
145-192 [op licht houthoudend papier]
193-240 [op houtvrij en op licht houthoudend papier]
241-288 [op houtvrij papier]
289-336 [op houtvrij papier]
337-384 [op houtvrij papier]
385-432 [op houtvrij papier]
433-480 [op houtvrij papier]
481-528 [op houtvrij papier]
529-576 [op houtvrij papier]

De drie verschillende exemplaren kunnen nu nog worden aangevuld met exemplaren met andere katernen die verkleurd zijn. De Du Perron-verzamelaar zal ze allemaal op de plank willen hebben!