maandag 16 november 2015

86. Parijs

Boeken in de Collectie Koopman van de Koninklijke Bibliotheek, Den Haag
(Foto: Jos Uljee)

zaterdag 7 november 2015

85. Een drukkerij in Peking

De twee uitgaven van F.C. Terborgh waarover ik de vorige keer schreef werden gedrukt bij de Paters Lazaristen in Peking: Le petit chateau en De Condottiere.

In de boekjes staat niet op welk papier ze gedrukt zijn, maar dat blijkt uit de watermerken. De evenmin genoemde lettertypen zijn echter veel moeilijker vast te stellen. Ik had mijn hoop gevestigd op de 'Archives des Lazaristes de Pékin', die zich volgens een online inventaris in Nantes zouden bevinden bij het Centre des Archives Diplomatiques de Nantes. Maar, schreef een medewerker van het archief na een week, dit archief bevindt zich al sinds 1999 niet meer in Nantes, het is ondergebracht bij de Pères lazaristen zelf.

De archivaris daarvan, Lâm Phan-Thanh in Parijs, meldde mij dat het archief inderdaad in Parijs bij de Congrégation de la Mission is en dat zich er een inventaris van de drukkerij in Peking bij de papieren bevond waarvan een kopie naar mij onderweg was.


Accord concernant l 'Imprimerie des Lazaristes à Pékin (1926)
Gisteren arriveerde de kopie. In 1924 werd de inventaris opgemaakt met het oog op een overeenkomst tussen de l'Imprimerie des Lazaristes en de Vicaire apostolique de Pékin die in 1926 werd gesloten. De apparatuur, de auteursrechten en de voorraad aan boeken en papier werden toen eigendom van de congregatie, de gebouwen, de auteursrechten van buitenstaanders en een aantal uitgaven werden eigendom van het Vicariat Apostolique de Pékin, terwijl de drukkerij voortaan aan het Vicariat $300 per jaar huur zou betalen en voor kostprijs boeken zou drukken; voorts werden nog wat andere zaken overeengekomen.


Inventaire du matériel d'imprimerie (1924)
De drukkerij beschikte over twee handpersen (presses à bras), twee cylinderpersen (machine à blanc, lees: en blanc) en twee lithografische persen, een apparaat om visitekaartjes te drukken, 1572 clichés, maar ook twee zetselgietmachines en men kon er bovendien galvano's maken. Ook was er boekbindersmateriaal, zoals een boekenpers en een snijmachine.


Inventaire du matériel d'imprimerie (1924)
De lettervoorraad wordt helaas net zo oppervlakkig geïnventariseerd als de machines. Er zijn 40 letterkasten, 22.900 matrijzen voor Chinese tekens, 7660 matrijzen voor Europese letters. Er lag 51.300 pond Europese letters in lood en 34.200 pond Chinese tekens. Het was, al met al, niet een grote drukkerij waar Terborgh zijn boeken liet drukken en één die - dankzij het betrekkelijke isolement in China - waarschijnlijk niet over de modernste lettertypen beschikte. De Europese letters zullen, gezien de connecties met de Franse congregatie, voornamelijk Franse letters zijn geweest, waarschijnlijk uit het laatste deel van de negentiende eeuw toen de drukkerij er al actief was en enorme boeken kon drukken, zoals het in folio-formaat gedrukte en van tientallen illustraties voorziene werk van Alph. Favier: Péking. Histoire et description (1895).

Jammer dat de lettertypen in beide Terborgh-uitgaafjes nog niet zijn achterhaald, maar die moeten met behulp van Franse letterproeven toch wel een keer gedetermineerd kunnen worden.

woensdag 21 oktober 2015

84. Een privédruk uit China: F.C. Terborgh

Het staatsbezoek van de koning aan China begint officieel op zondag 25 oktober, maar de koninklijke familie heeft er een korte vakantie aan vast gekoppeld en dat leidt uiteraard tot controverses: moet die koppeling wel gemaakt worden, wat gaat de koning zeggen over de mensenrechten, etcetera.


Deel van het Chinese paspoort van R. Flaes
Het heeft er helemaal niets mee te maken, maar ik moest door dergelijke berichten denken aan de diplomaat Reijnier Flaes (1902-1981) die gedurende de Tweede Wereldoorlog in China was gestationeerd. Hij was na zijn rechtenstudie gezant geworden in Bern, Madrid en Lissabon en die laatste twee posten waren door de Spaanse burgeroorlog onrustige locaties. Hij werd overgeplaatst naar Peking, waar hij tussen 1938 en 1942 gezantschapsraad was. Vanwege de aanval op Pearl Harbor al evenmin een oase van rust. Na de Japanse inval van China ervaarde hij zijn verdere tijd daar als in een 'mak concentratiekamp', zoals hij zelf zei. Hij deed er ook dienst als burgemeester van de ommuurde diplomatieke wijk. Vervolgens werd hij beroepen in Londen en (opnieuw) Lissabon.


Petrus Van Assche, 'De Condottiere' 
Flaes werkte niet alleen als diplomaat in China. Hij schreef verhalen en korte romans onder het pseudoniem F.C. Terborgh. Als schrijver had hij drie 'bondgenoten': het licht, de muziek en het ongerepte landschap.

In zijn reiskoffer voor China bevond zich een in Spanje geschreven verhaal, 'De Condottiere'. Hij had het 'in een namiddag zonder enige moeite' geschreven, zou hij later beweren, maar het was nog niet gepubliceerd. Dat gebeurde in China. Het verhaal was gebaseerd op een gouache waarvan Flaes een afbeelding in een krant had gezien. Hij kocht de schildering van de kunstenaar Petrus Van Assche (1897-1974). Het schilderij bevindt zich nu in een particuliere collectie (zie de blog van Jan Doets). 

In Peking ging Flaes op bezoek bij de drukkerij van de Paters Lazaristen, een congregatie die sinds 1699 in Peking zending bedreef. In 1940 werd er voor hem het verhaal Le petit chateau gedrukt; het werd in maart afgeleverd en in november gevolgd door de uitgave van De Condottiere. Beide boeken zijn eenvoudig vormgegeven, de eerste zonder een echte titelpagina. Beide edities verschenen in een oplage van 100 genummerde exemplaren en werden gedrukt op 'stroogeel' Hammermill Ledger papier, een papier dat door de Amerikaanse fabrikant werd aangeprezen als 'sterk, duurzaam, gemakkelijk te "ontvlekken" met gummi of radeerwater' (zie Proost Prikkels, no. 58, 1939). Het was een papier dat eigenlijk niet voor boeken was bedoeld maar voor brochures, boekhouding, kaartsystemen en losbladige publicaties.

Voor het drukken van Le petit chateau betaalde Flaes $ 49,-.

F.C. Terborgh, Le petit chateau (1940) (omslag) 
F.C. Terborgh, De Condottiere (1940) (omslag) 
F.C. Terborgh, De Condottiere (1940) (titelpagina) 
Over welke lettertypen de Paters Lazaristen in Peking konden beschikken weten we niet. Die drukkerij was in bedrijf vanaf het einde van de negentiende eeuw (en misschien wel eerder). De lettertypen zijn lastig thuis te brengen. De letter, met zijn karakteristieke R, heeft iets weg van de Romaansch (zoals verkrijgbaar bij Lettergieterij Amsterdam voorheen Tetterode).


F.C. Terborgh, De Condottiere (1940) (omslag, detail) 
Maar voor de plaatsnaam en het jaartal op het omslag van De Condottiere werd een ander lettertype gebruikt dat een beetje Chinees aandoet.


F.C. Terborgh, De Condottiere (1940) (omslag, detail) 
Ook de ornamenten op het omslag heb ik nog niet kunnen traceren. De dagboeken van Flaes noch de afrekening van de drukker vermelden daar iets over. Een inventaris van de drukkerij bevindt zich in het archief van het Centre des Archives Diplomatiques de Nantes. 

De KB bezit van De Condottiere twee exemplaren: een is er herbonden, één is er in smetteloze orginele staat. Van Le petit chateau zijn drie exemplaren present, waarvan ook één in nieuwstaat en één gesigneerd.


Rekening van de Imprimerie des Lazaristes aan R. Flaes, 5 maart 1940
[Met dank aan Jan Doets voor de scan van het schilderij en de rekening van de drukkerij.]

zondag 4 oktober 2015

83. Nieuwe publicatie: Arts et métiers graphiques

Onder redactie van Kristof Van Gansen is bij Peeters in Leuven een bundel opstellen over het tijdschrift Arts et métiers graphiques verschenen. 

Voorzijde omslag Arts et métiers graphiques (2015)
Het in Parijs door Charles Peignot opgericht tijdschrift verscheen tussen 1927 en 1939. De KB heeft een complete set van het tijdschrift, als losse nummers, dus niet herbonden, of van zijn advertenties ontdaan. Het is een rij van bijna een meter lang en de afleveringen hebben een fors formaat. 

Het tijdschrift fungeerde als informatiebron over modern drukwerk, maar ook over de geschiedenis van de drukkunst. Het was bovendien een reclameblad voor de nieuwe lettertypen van de firma  Deberny & Peignot, zoals de Bifur en de Peignot. Beide letters zijn getekend door kunstenaar Cassandre, die vermaard werd om zijn imposante poster-ontwerpen.

Verschillende auteurs hebben een bijdrage voor dit boek geschreven. Wibo Bakker schrijft over de letter Bifur, Anne Reverseau en Mieke Bleyen over fotografie, Katrien van Haute over het Belgische grafisch ontwerp, Adriaan Gonnissen over Masereel, Marjan Sterckx over Yvonne Serruys en Geoffrey Brusatto en Tom Lambeens schreven over het grafisch ontwerp van Arts et métiers graphiques.

Paul Valéry, Existence du symbolisme (1939)
Zelf schreef ik over A.A.M. Stols en Charles Nypels, over de pogingen van deze uitgevers om boeken voor de Franse markt te maken en te verkopen. Over hun werk werd af en toe in Arts et métiers graphiques geschreven, in een kritische rubriek over nieuwe boeken. Stols was ervan overtuigd dat zijn boeken in Frankrijk in het bijzonder werden gewaardeerd om hun pure typografie, maar uit de reacties in het tijdschrift blijkt dat men hem juist zag als een representant van het luxe geïllustreerde boek en dat Stols gezien werd als iemand die de 'formule français' navolgde.

Paul Valéry, Existence du symbolisme (1939)
De publicatie verschijnt bij een tentoonstelling in die vanaf 21 oktober van dit jaar tot en met 31 januari 2016 te zien zal zijn in de Leuvense Universiteitsbibliotheek.

maandag 28 september 2015

82. Een handgeschreven omslag: Frederik Willem Daem

Een maand geleden verscheen een verhalenbundel van de Vlaamse schrijver Frederik Willem Daem (Brussel, 1988): Zelfs de vogels vallen.

Als marketingstunt werd bedacht dat de auteur de onbedrukte omslagen zelf van auteursnaam en titel zou voorzien. Er werd gezegd dat de omslagen helemaal onbedrukt waren. Dat laatste was niet helemaal waar.


Achterzijde omslag Frederik Willem Daem, Zelfs de vogels vallen (2015)
De rug en achterzijde waren gewoon van gedrukte tekst voorzien. Ook op de voorzijde van de band was het uitgeversmerk gedrukt en een deel van de oplageverantwoording. Maar de auteur heeft wel elk exemplaar beschreven in fineliner en er de titel, zijn naam en het exemplaarnummer op geschreven. De KB heeft er twee: nummer 825 en 829. 



 Twee exemplaren van Frederik Willem Daem, Zelfs de vogels vallen (2015)
Duidelijk is te zien dat er tussen deze twee exemplaren van stift werd gewisseld. Nummer 829 is met een dikkere stift beschreven dan nummer 825. Kleurrijk werd het geheel niet, want aangepast aan de gedrukte letters heeft Daem alleen in het zwart geschreven.

Hij deed er een hele dag over. Weblog Tzum maakte een reportage.

dinsdag 8 september 2015

81. Twee Couperusbanden in perkament vergelijken

Vandaag kwamen Han Peek en Hans Matla in de KB op bezoek om twee exemplaren van de roman Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan te vergelijken. De roman van Louis Couperus verscheen in 1906. Het ontwerp voor het omslag werd gemaakt door Chris Lebeau en er waren twee edities te koop: gebonden in geel linnen en ingenaaid in papier. Maar er bestond een derde uitvoering, die lange tijd onbekend was aan bibliografen en verzamelaars. 

Er zijn namelijk twee exemplaren gebonden in perkament. Tot een paar jaar geleden waren die volstrekt onbekend, maar ze doken met een tussenpoos van vier jaar op: één ervan belandde in 2009 in de particuliere collectie van Hans Matla, de andere in 2013 in de collectie van de KB. (Zie mijn eerdere blog op het KB-blog: 'Aanwinst: Couperus in perkament').


Louis Couperus, Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan (1906) [Foto: Hans Matla]
Het ontwerp van Lebeau is met een bandstempel gedrukt op het perkament en is identiek aan dat van de gewone handelsedities. De twee banden in perkament zijn op dezelfde wijze geproduceerd. Er zijn geen verschillen gevonden tussen het ene en het andere exemplaar, op wat slijtageplekken na. Rug en achteromslag zijn ook identiek.

Schutbladen in de perkamenten uitvoering van Louis Couperus,
Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan (1906)
Ook het sierpapier dat als schutblad is gebruikt is in beide exemplaren hetzelfde; ze zijn dus vrijwel zeker op hetzelfde moment gemaakt. In de correspondentie is echter niets te vinden over deze luxe editie. Wellicht waren de exemplaren bedoeld voor de uitgever en de auteur, maar misschien zijn er ook wel meer gemaakt. De productie is namelijk helemaal gelijk aan die van bijvoorbeeld de in perkament uitgevoerde exemplaren van De boeken der kleine zielen, die een paar jaar eerder waren verschenen (1901-1903). 

Achterin het KB-exemplaar stond in potlood een cijfer geschreven: '80'. Datzelfde nummer stond, op dezelfde plek, in het exemplaar van Matla.

Notitie (cijfer '80') in de perkamenten uitvoering van Louis Couperus,
Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan (1906)
Ook de vier delen van De boeken der kleine zielen uit de KB-collectie konden worden vergeleken met die uit de particuliere verzameling van Matla (hij had een grote tas bij zich). Ook deze boeken zijn in perkament gebonden. Elk deel toonde achterin net zo'n cijfer in potlood, in elk deel een ander nummer en die vier nummers correspondeerden met elkaar in de twee luxe exemplaren van de roman.

Waarschijnlijk slaan deze nummers op opdrachtnummers in de binderij, die ervoor moesten zorgen dat de kleine bindpartijen - tien exemplaren in het geval van De boeken der kleine zielen en een onbekend aantal in het geval van Oude menschen, de dingen die voorbijgaan - niet tussen andere, grotere bindopdrachten terecht kwamen. Ze staan tenslotte geschreven, in potlood, op het allerlaatste vel van de gedrukte katernen, voordat de schutbladen in de boekbinderij worden toegevoegd. Ze kunnen overeenkomen met ordernummers, maar om dat vast te stellen moet het archief van de boekbinderij worden onderzocht. 


Louis Couperus, Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan (1906)
[Deze blog werd op 14 november 2015 overgenomen in De Binocle op de website van het Louis Couperus Genootschap.]

maandag 31 augustus 2015

80. De verteller en het boek: Rodaan Al Galidi

De ik-persoon (de verteller) in Rodaan Al Galidi's Bloesemtocht is een kleine jongen, die zich tientallen korte verhalen laat vertellen door zijn grootvader. Deze personages - grootvader en kleinzoon - zijn niet voor niets gekozen: de kleinzoon hoeft niet alles te begrijpen en kan alles vragen en de grootvader hoeft niet helemaal goed bij zijn hoofd te zijn maar kan veel vertellen. Vaak zegt hij:

'Ik zal je een verhaaltje vertellen.'

En dan volgt er een parabel over sprekende meren, begrijpende ezels, de duivel die de militair geschapen heeft en zo meer. Fabels, poëzie.


Rodaan Al Galidi
De verteller die deze grootvader is kijkt niet op een paar woorden en de kleinzoon vindt het af en toe wel genoeg, maar hoeveel woorden de grootvader ook uitspreekt, hij wil niet dat ze in een boek belanden... Hij heeft een allergie voor boeken.

Precies halverwege het boek (350 pagina's), aan het slot van hoofdstuk 10 (pagina 172-174) komt die afkeer van boeken weer pregnant naar voren.

De kleine jongen komt een van de figuren uit de verhalen van grootvader tegen: 'we zijn allemaal verhalen, die anderen aan anderen vertellen', zegt hij: 'Over wie langer wordt verteld, die leeft langer.' Maar dit personage - een jonge broer die graag naar zee zou willen reizen - heeft toch wel graag dat die verhalen niet in de lucht blijven hangen en dat ze worden vastgelegd. Hij vraagt de jongen ze op te schrijven in een boek. 'Misschien zal ik dat boek eens lezen en kan ik mijn weg naar de zee vinden'.

'Kun je verder reizen in een boek?' vroeg ik verbaasd.
'Zeker, want ik besta alleen hier, omdat er geen boek is waarin ik naar de zee kan reizen.'

De jongen zegt meteen tegen zijn moeder: 'Op een dag zal ik een boek schrijven.'

Het is natuurlijk het boek dat we aan het lezen zijn, Bloesemtocht. Halverwege verwijst het verhaal ons dan ook terug naar de eerste pagina, getiteld 'Het begin van het boek':

'Alle personages in dit boek zijn echt. De enige persoon die niet echt is, ben ik, de schrijver van deze zinnen.'

Halverwege het verhaal zegt zijn grootvader hem dat hij vast niet 'dat personage echt heeft ontmoet, maar zijn dubbelganger, 'de geschreven jonge broer', die 'ergens vast zit in een boek'. We moeten doorlezen om uit te vinden wat er aan de hand is.

De metafoor van het boek speelt verder in Bloesemtocht niet meer de vooraanstaande rol die je zou verwachten.

Het vertellen van verhalen neemt in de loop van de roman een maniacale vorm aan. Dat hangt samen met de 'plot' van het boek: de president van het land (Irak?) zal het dorpje komen bezoeken en de grootvader, ooit gevlucht voor een oorlog waarin hij moest vechten, wordt daar banger voor dan voor de dood. De verhalen die hij vertelt worden langer en de jongen zegt op een gegeven moment: 

'Hadji, dat kan ik niet allemaal onthouden.'
'Het is niet belangrijk dat je het onthoudt, maar dat je het hoort.'

Maar de jongen begint te twijfelen aan de verhalen:

'Dus vanaf nu ben jij het niet eens met wat je hoort?'

En soms onderbreekt hij zijn opa:

'Heeft de boosheid hout? En het vuur van het hart? Wat is dat nu weer?'

De angst voor de komst van de president groeit en de grootvader is er zo slecht aan toe dat hij het bed houdt. Dan verandert de jongen in een verhalenverteller, om zijn opa in leven te houden. De jongen kondigt aan dat hij op jacht zal gaan naar verhalen en grootvader vraagt:

'Echt? Ga je verhalen voor me jagen?' 

En de grootvader luistert naar de verhalen van zijn kleinzoon:

'Ik heb vele mooie verhalen', zei ik. 

Hij laat zijn opa beloven naar het verhaal te blijven luisteren, zodat hij in leven blijft.

Dan wordt de val van de president aangekondigd en in plaats van de president komt de oorlog naar het dorp. Iedereen slaat op de vlucht. De jongen leert dan het uiteindelijke nut van de verhalen: als hij ze aan zichzelf vertelt, kan hij terugkeren naar het dorp van zijn jeugd, naar de familie zoals hij die zich herinnert, ook als ze er niet meer zijn. Verhalen verbinden grootvader en kleinzoon en bewaren zoveel mogelijk wat verloren is gegaan.