maandag 28 september 2015

82. Een handgeschreven omslag: Frederik Willem Daem

Een maand geleden verscheen een verhalenbundel van de Vlaamse schrijver Frederik Willem Daem (Brussel, 1988): Zelfs de vogels vallen.

Als marketingstunt werd bedacht dat de auteur de onbedrukte omslagen zelf van auteursnaam en titel zou voorzien. Er werd gezegd dat de omslagen helemaal onbedrukt waren. Dat laatste was niet helemaal waar.


Achterzijde omslag Frederik Willem Daem, Zelfs de vogels vallen (2015)
De rug en achterzijde waren gewoon van gedrukte tekst voorzien. Ook op de voorzijde van de band was het uitgeversmerk gedrukt en een deel van de oplageverantwoording. Maar de auteur heeft wel elk exemplaar beschreven in fineliner en er de titel, zijn naam en het exemplaarnummer op geschreven. De KB heeft er twee: nummer 825 en 829. 



 Twee exemplaren van Frederik Willem Daem, Zelfs de vogels vallen (2015)
Duidelijk is te zien dat er tussen deze twee exemplaren van stift werd gewisseld. Nummer 829 is met een dikkere stift beschreven dan nummer 825. Kleurrijk werd het geheel niet, want aangepast aan de gedrukte letters heeft Daem alleen in het zwart geschreven.

Hij deed er een hele dag over. Weblog Tzum maakte een reportage.

dinsdag 8 september 2015

81. Twee Couperusbanden in perkament vergelijken

Vandaag kwamen Han Peek en Hans Matla in de KB op bezoek om twee exemplaren van de roman Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan te vergelijken. De roman van Louis Couperus verscheen in 1906. Het ontwerp voor het omslag werd gemaakt door Chris Lebeau en er waren twee edities te koop: gebonden in geel linnen en ingenaaid in papier. Maar er bestond een derde uitvoering, die lange tijd onbekend was aan bibliografen en verzamelaars. 

Er zijn namelijk twee exemplaren gebonden in perkament. Tot een paar jaar geleden waren die volstrekt onbekend, maar ze doken met een tussenpoos van vier jaar op: één ervan belandde in 2009 in de particuliere collectie van Hans Matla, de andere in 2013 in de collectie van de KB. (Zie mijn eerdere blog op het KB-blog: 'Aanwinst: Couperus in perkament').


Louis Couperus, Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan (1906) [Foto: Hans Matla]
Het ontwerp van Lebeau is met een bandstempel gedrukt op het perkament en is identiek aan dat van de gewone handelsedities. De twee banden in perkament zijn op dezelfde wijze geproduceerd. Er zijn geen verschillen gevonden tussen het ene en het andere exemplaar, op wat slijtageplekken na. Rug en achteromslag zijn ook identiek.

Schutbladen in de perkamenten uitvoering van Louis Couperus,
Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan (1906)
Ook het sierpapier dat als schutblad is gebruikt is in beide exemplaren hetzelfde; ze zijn dus vrijwel zeker op hetzelfde moment gemaakt. In de correspondentie is echter niets te vinden over deze luxe editie. Wellicht waren de exemplaren bedoeld voor de uitgever en de auteur, maar misschien zijn er ook wel meer gemaakt. De productie is namelijk helemaal gelijk aan die van bijvoorbeeld de in perkament uitgevoerde exemplaren van De boeken der kleine zielen, die een paar jaar eerder waren verschenen (1901-1903). 

Achterin het KB-exemplaar stond in potlood een cijfer geschreven: '80'. Datzelfde nummer stond, op dezelfde plek, in het exemplaar van Matla.

Notitie (cijfer '80') in de perkamenten uitvoering van Louis Couperus,
Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan (1906)
Ook de vier delen van De boeken der kleine zielen uit de KB-collectie konden worden vergeleken met die uit de particuliere verzameling van Matla (hij had een grote tas bij zich). Ook deze boeken zijn in perkament gebonden. Elk deel toonde achterin net zo'n cijfer in potlood, in elk deel een ander nummer en die vier nummers correspondeerden met elkaar in de twee luxe exemplaren van de roman.

Waarschijnlijk slaan deze nummers op opdrachtnummers in de binderij, die ervoor moesten zorgen dat de kleine bindpartijen - tien exemplaren in het geval van De boeken der kleine zielen en een onbekend aantal in het geval van Oude menschen, de dingen die voorbijgaan - niet tussen andere, grotere bindopdrachten terecht kwamen. Ze staan tenslotte geschreven, in potlood, op het allerlaatste vel van de gedrukte katernen, voordat de schutbladen in de boekbinderij worden toegevoegd. Ze kunnen overeenkomen met ordernummers, maar om dat vast te stellen moet het archief van de boekbinderij worden onderzocht. 


Louis Couperus, Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan (1906)
[Deze blog werd op 14 november 2015 overgenomen in De Binocle op de website van het Louis Couperus Genootschap.]

maandag 31 augustus 2015

80. De verteller en het boek: Rodaan Al Galidi

De ik-persoon (de verteller) in Rodaan Al Galidi's Bloesemtocht is een kleine jongen, die zich tientallen korte verhalen laat vertellen door zijn grootvader. Deze personages - grootvader en kleinzoon - zijn niet voor niets gekozen: de kleinzoon hoeft niet alles te begrijpen en kan alles vragen en de grootvader hoeft niet helemaal goed bij zijn hoofd te zijn maar kan veel vertellen. Vaak zegt hij:

'Ik zal je een verhaaltje vertellen.'

En dan volgt er een parabel over sprekende meren, begrijpende ezels, de duivel die de militair geschapen heeft en zo meer. Fabels, poëzie.


Rodaan Al Galidi
De verteller die deze grootvader is kijkt niet op een paar woorden en de kleinzoon vindt het af en toe wel genoeg, maar hoeveel woorden de grootvader ook uitspreekt, hij wil niet dat ze in een boek belanden... Hij heeft een allergie voor boeken.

Precies halverwege het boek (350 pagina's), aan het slot van hoofdstuk 10 (pagina 172-174) komt die afkeer van boeken weer pregnant naar voren.

De kleine jongen komt een van de figuren uit de verhalen van grootvader tegen: 'we zijn allemaal verhalen, die anderen aan anderen vertellen', zegt hij: 'Over wie langer wordt verteld, die leeft langer.' Maar dit personage - een jonge broer die graag naar zee zou willen reizen - heeft toch wel graag dat die verhalen niet in de lucht blijven hangen en dat ze worden vastgelegd. Hij vraagt de jongen ze op te schrijven in een boek. 'Misschien zal ik dat boek eens lezen en kan ik mijn weg naar de zee vinden'.

'Kun je verder reizen in een boek?' vroeg ik verbaasd.
'Zeker, want ik besta alleen hier, omdat er geen boek is waarin ik naar de zee kan reizen.'

De jongen zegt meteen tegen zijn moeder: 'Op een dag zal ik een boek schrijven.'

Het is natuurlijk het boek dat we aan het lezen zijn, Bloesemtocht. Halverwege verwijst het verhaal ons dan ook terug naar de eerste pagina, getiteld 'Het begin van het boek':

'Alle personages in dit boek zijn echt. De enige persoon die niet echt is, ben ik, de schrijver van deze zinnen.'

Halverwege het verhaal zegt zijn grootvader hem dat hij vast niet 'dat personage echt heeft ontmoet, maar zijn dubbelganger, 'de geschreven jonge broer', die 'ergens vast zit in een boek'. We moeten doorlezen om uit te vinden wat er aan de hand is.

De metafoor van het boek speelt verder in Bloesemtocht niet meer de vooraanstaande rol die je zou verwachten.

Het vertellen van verhalen neemt in de loop van de roman een maniacale vorm aan. Dat hangt samen met de 'plot' van het boek: de president van het land (Irak?) zal het dorpje komen bezoeken en de grootvader, ooit gevlucht voor een oorlog waarin hij moest vechten, wordt daar banger voor dan voor de dood. De verhalen die hij vertelt worden langer en de jongen zegt op een gegeven moment: 

'Hadji, dat kan ik niet allemaal onthouden.'
'Het is niet belangrijk dat je het onthoudt, maar dat je het hoort.'

Maar de jongen begint te twijfelen aan de verhalen:

'Dus vanaf nu ben jij het niet eens met wat je hoort?'

En soms onderbreekt hij zijn opa:

'Heeft de boosheid hout? En het vuur van het hart? Wat is dat nu weer?'

De angst voor de komst van de president groeit en de grootvader is er zo slecht aan toe dat hij het bed houdt. Dan verandert de jongen in een verhalenverteller, om zijn opa in leven te houden. De jongen kondigt aan dat hij op jacht zal gaan naar verhalen en grootvader vraagt:

'Echt? Ga je verhalen voor me jagen?' 

En de grootvader luistert naar de verhalen van zijn kleinzoon:

'Ik heb vele mooie verhalen', zei ik. 

Hij laat zijn opa beloven naar het verhaal te blijven luisteren, zodat hij in leven blijft.

Dan wordt de val van de president aangekondigd en in plaats van de president komt de oorlog naar het dorp. Iedereen slaat op de vlucht. De jongen leert dan het uiteindelijke nut van de verhalen: als hij ze aan zichzelf vertelt, kan hij terugkeren naar het dorp van zijn jeugd, naar de familie zoals hij die zich herinnert, ook als ze er niet meer zijn. Verhalen verbinden grootvader en kleinzoon en bewaren zoveel mogelijk wat verloren is gegaan.

zondag 30 augustus 2015

79. Allergie voor boeken?

Momenteel lees ik Bloesemtocht van Rodaan Al Galidi, de in het zuiden van Irak geboren auteur die  sinds 1998 in Zwolle woont. De roman verscheen in 2014 en vertelt verhalen over het paradijs, over vluchten, over het benoemen van dingen.

Rodaan Al Galidi, Bloesemtocht (2014)
Ik citeer een passage over boeken:

Mijn opa had een allergie voor boeken. Als hij een boek zag, werden zijn ogen rood en hoestte hij. Hij vertelde me dat een boek het hoofd is van een dode die in leven blijft. Eens legde hij een schorpioen op de grond, sprenkelde lampolie om hem heen en stak die in brand. Toen de schorpioen het vuur op zich heen zag, stak hij zichzelf en stierf.
'Weet je waarom hij dat doet' vroeg hij aan mij.
'Omdat hij bang is natuurlijk.'
'Helemaal niet, hij doet dit omdat hij boeken leest. Kleine, lees geen boeken, zodat je jezelf nooit steekt als het vuur je omringt.'
(p. 52)

De roman is een aaneenschakeling van zulke scènes, gesprekken en allegorieën en parabels.

Vincent van Gogh, 'Almond Blossom' (1890) [Van Gogh Museum]

dinsdag 11 augustus 2015

78. Wat was vroeger een kunstenaarsboek?

Met de term 'kunstenaarsboek' wordt een kunstwerk in de vorm van een boek bedoeld. Maar hoe oud is die term?

Als je zoekt in Delpher - de website voor het zoeken in tijdschriften, kranten en (steeds meer) boeken - vind je als oudste vermelding van het woord een krantenartikel uit 1889, waarin kort de inhoud wordt besproken van het literaire tijdschrift De Gids.


De term komt voor als titel van de recensie door H.E. Sachse. De recensie ('Een kunstenaarsboek') bespreekt een deel van het gepubliceerde dagboek van de gebroeders De Goncourt. Het wordt een kunstenaarsboek genoemd omdat de auteurs denken als kunstenaars en de ziel van de kunstenaar blootleggen.  

Dit dagboek nu is van de hoogste waarde voor allen die, in de eerste plaats de beroemde tijdgenooten der Goncourts plastisch willen geheeld zien, maar ook de schrijvers zelven willen leeren kennen in de verborgenste trillingen van hun kunstenaarshart. En voor allen die willen weten hoe zij de schilderkunst in de literatuur hebben gebracht. Want daarom is dit boek een kunstenaarsboek, en moet men de schilders maar vooral de aquarellisten en etsers van onzen tijd volkomen kunnen begrijpen om de Goncourts in hun volheid te genieten.

Verderop in dezelfde recensie wordt de term nog een keer gebruikt, maar nu als aanduiding van een boek voor kunstenaars.

H.E. Sachse, 'Een kunstenaarsboek', in De Gids (1889)
Dat gebruik van de term is ontleend aan de kritiek van George Sand op de roman Salammbô van Gustave Flaubert. Zij vond dat een kunstenaarsboek, omdat het alleen gelezen zou worden door 'kunstenaars en erudieten'.

Van het Woordenboek der Nederlandsche taal verscheen in 1916 het deel met het woord 'kunstenaar' en de samenstellingen daarvan, zoals 'kunstenaarsblik' en 'kunstenaarsfamilie', maar het 'kunstenaarsboek' ontbreekt, zoals trouwens ook nog steeds in Van Dale's woordenboek.

In 1925 werd er misschien iets anders onder verstaan. In een advertentie verscheen het woord als een aanprijzing bij een volgens de uitgever succesvolle roman.


Nieuwsblad van Friesland, 24 november 1925
Die roman gaat over een jonge vrouw, getrouwd met een veel oudere man. Zij wordt verliefd op haar stiefzoon, die een priester is. De plot heeft niets te maken met kunstenaars, dus het kunstenaarsboek is hier opgevat als een buitengewoon kunstig geschreven boek. De schrijver is dus een ware artiest.

In 1954 werd de term opnieuw in een andere betekenis gebruikt. Het Limburgsch Dagblad publiceerde een verhaal over H. Tummers die in 1951 een jubileumboek samenstelde voor Marcel van Grunsven.  


Limburgsch Dagblad, 14 oktober 1954
Dat jubileumboek werd een 'kunstenaarsboek' genoemd, een bundeling van manuscripten van kunstenaars en 'andere vooraanstaande personen die zich voor het culturele leven in [de] gemeente Heerlen in bijzondere mate hebben geïnteresseerd',  aldus de beschrijving ervan in het Centrum voor regionale geschiedenis Rijckheyt.

Nieuwsblad van het Noorden, 8 december 1978
Moderne kranten zijn nog lang niet allemaal beschikbaar via Delpher. De eerste keer dat we - op dit moment - het woord kunstenaarsboek in de huidige betekenis tegenkomen is in 1978, in het Nieuwsblad van het Noorden.

In de jaren zestig komt de term kunstenaarsboek in gebruik, als vertaling van het Amerikaanse 'artist's book', waarvoor tegelijkertijd ook het begrip 'livre d'artiste' begint te circuleren. Die Franse term 'livre d' artiste' lijkt veel ouder te zijn, omdat Frankrijk al sinds ongeveer 1900 boeken kon zien waarvoor kunstenaars en auteurs en uitgevers samenwerkten: zo ontstonden boeken van Sonia Delaunay, Pablo Picasso en Henri Matisse. Dat soort boeken, met bijvoorbeeld originele schilderingen of met litho's, die verondersteld worden een dialoog tussen kunstenaar en auteur te representeren, zijn achteraf als 'kunstenaarsboek' gerangschikt. Termen als 'livre de peintre' of 'livre peint' schijnen ouder te zijn, maar dat moet ik nog verder uitzoeken.

Overigens komt in Frankrijk de term 'livre d'artiste' ook al vroeg in de negentiende eeuw voor, maar dan in de betekenis van een door een kunstenaar geschreven boek met herinneringen, opstellen over esthetiek of kunst. Zo is die term ook in Nederland gebruikt, bijvoorbeeld in Van onzen tijd in 1901/1902.


Van onzen tijd, 1901/1902
In 1832 werd de term in Frankrijk gebruikt door H.-L. Pelletier in het gedicht La typographie. Daarin wordt uitgelegd wat voor soort boek dat is: een boek waarvan de vormgeving zodanig is dat het een kunstwerkje is geworden en dat komt niet door toedoen van een kunstenaar, maar door de vakkundigheid van de zetter en de drukker, door de smaak van de uitgever, de kwaliteiten van de letterontwerper en de keuze voor een fraaie en gedegen papiersoort. Het gaat hier niet om illustraties of kunst, maar om pure typografie.


H.-L. Pelletier, La typographie (1832)

donderdag 30 juli 2015

77. Eigen roem... in Australië

Mijn collega Steven Claeyssens reisde naar een congres in Australië en vond daar in een boekwinkel in Sidney een mooie selectie boeken over typografie, vormgeving en de geschiedenis van uitgeverijen en drukkerijen. Zoals in Angelsaksische landen gebruikelijk waren er aanbevelingen van het personeel, met de hand geschreven op briefjes ter grootte van oude cataloguskaartjes. Eén van die aanbevelingen gold... The Ideal Book, het boek dat we in 2010 maakten over de geschiedenis van de Nederlandse private press.

Foto: Steven Claeyssens
Chloe had dit boek aangeraden: 'This is for true book lovers, absolutely beautiful!' 

Eerlijk gezegd, het is heerlijk om zoiets, vijf jaar na dato, van de andere kant van de wereld te horen.

maandag 27 juli 2015

76. Op reis in Nederland in 1885

Een aardig klein landje dat hij wel 'joli' vond, dat was Nederland in 1885 voor Cecil Standish. Hij bezocht maar enkele plaatsen: Dordrecht, Rotterdam, Den Haag, Scheveningen en Amsterdam. Wat hij in Nederland kwam doen, is niet helemaal duidelijk. Standish lijkt een man die zich geen zorgen hoefde te maken over geld, die geen beroep uitoefende, in zijn jeugd wat gedichten schreef, maar verder zomaar wat rondreisde. Hij had in elk geval een snor die nu weer helemaal in de mode is.

Portret van Cecil Standish

Globetrotter Cecil Standish

Cecil Standish (1852-1891) was de zoon van Charles Henry Noailles Widdrington Standish, wiens fortuin en grondbezittingen in Frankrijk en Engeland na zijn dood in 1883 overgingen op de twee zoons: Henry en Cecil. Henry huwde Hélène, die later (mede) model zou staan voor een van de hertoginnen in Marcel Prousts roman A la recherche du temps perdu. Zij haalde daarmee de eeuwigheid, maar Cecil was geen lang leven beschoren; hij klaagde regelmatig over 'des douleurs rhumatismales' (reuma) en overleed in Hyères op 22 februari 1891. Zijn broer verzamelde een aantal van zijn brieven en publiceerde die in 1893: Lettres de Cecil Standish. Het was niet Cecils eerste publicatie, want kort voor zijn dood had hij 'een Spaans verhaal' uitgegeven in het tijdschrift Revue des deux mondes, aldus het bericht van zijn overlijden in The Times

In 1874 en 1875 reisde Cecil Standish door de Verenigde Staten, in 1876 verbleef hij in Venetië en bekende dat zijn leven voornamelijk bestond uit het afleggen van beleefdheidsbezoekjes in Frankrijk en Engeland. Verder las hij kranten en historische boeken, bezocht hij af en toe een museum en woonde theatervoorstellingen bij. In 1879 reisde hij naar Spanje, in 1882 naar Rome, in 1884 naar Athene, vervolgens opnieuw naar enkele Spaanse steden waarna hij vanuit Santiago, via Antwerpen zijn weg naar Nederland vond. Voor de zekerheid liet hij zijn post intussen naar Brussel zenden. Na zijn Nederlandse 'vakantie' keerde hij er niet meer terug en verbleef hij, waarschijnlijk vanwege het klimaat, voornamelijk in Rome.

Twee weekjes in Nederland

Standish vertrok omstreeks 10 september 1885 vanuit Antwerpen naar Rotterdam en was op 22 september alweer in België. Twee weekjes Nederland maximaal dus. Hij vond er genoeg bezienswaardigheden, schreef hij aan zijn vriend Alain de Mérionec, en heel anders van karakter dan in zuidelijk Europa. Het Nederlandse leven was eenvoudig, makkelijk, de afstanden kort en transportmiddelen waren er genoeg. Een nadeel was het weer: 'Le ciel est un peu bas est ce que j'aime le moins; il est nécessaire au paysage'. Kortom: de luchten hingen er laag, zoals de dichter Marsman later schreef, met stoeten laaghangende wolken, maar ze waren nu eenmaal noodzakelijk in dit landschap - alsof het weer er in de eerste plaats was om onze landschapsschilders te plezieren.

Hij was via Dordrecht gekomen dat half in de zon, half in de schaduw lag, en daar vielen hem de enorme hoeveelheid bootjes op én de hoge bomen in het centrum. In Rotterdam had hij rondgewandeld, rondgedwaald, langs de kades, over pleintjes en langs kroegen tot hij bij een groot zwart huis kwam waar hij een tijdje stond te luisteren naar de muziek die er klonk en de liederen die er werden gezongen. Het bleek een muzikale vereniging te zijn. Hij bracht een bezoek aan het Schielandshuis, waarin toen Museum Boijmans gevestigd was. Meer dan dat er wat 'tableaux de mérite' (verdienstelijke schilderijen) hingen, zei hij er niet over. Het Mauritshuis in Den Haag bekoorde hem in hoge mate, met name de schilderijen van Rubens, sterker, hij schreef dat alle schilderijen er van belang waren, zelfs als ze niet aan zijn smaak beantwoorden. Ook de hoge bomen op het Voorhout bevielen hem; hij wandelde er terwijl hij een boek las (Le bachelier de Salamanque van Le Sage). Over Scheveningen vertelde Standish niet veel.


Standish in Amsterdam

In Amsterdam vielen de reiziger in 1885 natuurlijk de grachten op, maar ook de bomen en de vele tuinen. Het Nederlandse karakter zag hij door een clichématige bril: 'le caractère hollandais a quelque chose de propret, de soigné, de cossu.' Kortom: keurig, netjes, goedverzorgd. En hij waardeerde dat het zonder vertoon ging, zonder pretenties, zonder 'étalages': echte rijkdom. Iedereen was goed gekleed en wel doorvoed. Hij bezocht de verzameling van Van der Hoop aan de Keizersgracht met schilderijen van Vermeer die Standish bewonderde. Maar ook de stillevens met wild van Hondecoeter herinnerde hij zich goed. De conclusie van deze Hollandganger was: 'Il est excellent de voyager en Hollande, pour apprendre l'ordre en toutes choses!' Het is goed om naar Nederland af te reizen, om er kennis te maken met ordelijkheid op alle fronten.

Lettres de Cecil Standish (1893)

Waarom lees ik dit boek?

Ik las (een deel van) dit boek omdat het een van de vijf boeken is in de KB die oorspronkelijk op de plank stonden in Tite Street, Londen, in de bibliotheek van Oscar Wilde. Wilde kende Cecil Standish kennelijk (maar Standish komt niet voor in Wilde's correspondentie of biografie). Of Wilde het boek gelezen heeft is niet duidelijk, maar voorin schreef broer Henry Standish een opdracht aan de decadente dichter en toneelschrijver: 'To Oscar Wilde Esq. In remembrance of my brother. Henry Standish'. De KB bezit van deze gelimiteerde editie van 250 exemplaren nummer 136.

Destijds gekocht om de inhoud, de brieven van Standish (misschien wel vanwege zijn Nederlandse tour), is het boek nu toch meer van belang vanwege de herkomst en de associatie met Oscar Wilde.