vrijdag 22 juni 2018

213. La Belgique: kunstenaarsboek, cadeau of grap?

Afbeeldingen van schilderijen waarop alle gezichten door portretten van familieleden zijn vervangen... 

Een kunstenaarsboek? Een cadeau? Een grap? 

Tegenwoordig misschien makkelijk en vaker gedaan, maar een unicum in 1907. Dit eigenaardige boekje kwam enkele jaren geleden op de markt (bij Zwiggelaar en later bij Antiquariaat Fokas Holthuis). Nu is het in de KB.



Band en titelpagina van Maurice Binger, La Belgique (1907)
Het boekje bevat alleen het gedrukte voorwerk in lithografie, met een ingeplakt stofomslag, een Franse (voordehandse) titel, een pagina met werk dat in voorbereiding is, een titelpagina, en vervolgens dertien afbeeldingen van schilderijen gedrukt in heliogravure.

 Rembrandt, 'Het Joodse bruidje' in Maurice Binger, La Belgique (1907)

Rembrandt, 'Het Joodsche bruidje', in:
Gustave Geffroy, La Hollande (1904)

Uit de teksten voorin blijkt dat dit boekje is gemaakt door Maurice Binger voor het zilveren huwelijk van de heer en mevrouw Lamm. Wie zijn deze mensen?

Maurice Binger is eigenlijk Maurits Herman Binger, geboren in 1868 in Haarlem (hij stierf in 1923 in Wiesbaden). Hij was een telg uit de familie die de lithografische drukkerij Emrik & Binger bestuurde. Aanvankelijk werkte Maurits Binger als fotograaf en maakte hij foto's en films bij feesten en familie-aangelegenheden. Hij leerde de technische drukprocedés kennen in Parijs waar hij op vijftienjarige leeftijd heen werd gezonden. Ook leerde hij het vak in Londen en Berlijn. Hij werd daarna lid van verschillende fotografische verenigingen, hield lezingen over de techniek van de fotografie en exposeerde zijn foto's. Intussen ging hij werken voor de drukkerij van zijn vader.

In 1912 richtte Binger Filmfabriek Hollandia op en daarmee werd hij een van de drie pioniers van de Nederlandse filmindustrie. Hij schreef  filmscripts, produceerde en regisseerde films, zoals 'Oorlog en vrede' (1914) en 'Op hoop van zegen' (1918). In 1907, toen La Belgique uitkwam, was hij nog amateurfotograaf.

Hij maakte het boekje La Belgique voor zijn zus Seraphina Cellina Binger (1858-1945) en haar echtgenoot Per Lamm (1868-1923). Zij woonden in Parijs, waar Lamm eigenaar was van de uitgeverij en distributeur Librairie Nilsson, Per Lamm Successeur, in de rue de Lille. De firma was opgericht in 1885 door de twee Zweden: Karl Nilsson en Per Lamm. Lamm heette eigenlijk Pehr Aron Lamm en werd geboren in Stockholm.

Zelfportret door Maurits Binger (c. 1910)
Maurits Binger
Algemeen Handelsblad, 9 maart 1882
Per Lamm en Céline Binger waren getrouwd op 7 maart 1882 en vierden in 1907 hun zilveren bruiloft. Bij die gelegenheid heeft broer Maurits Binger het boekje La Belgique laten drukken, waarschijnlijk in een oplage van rond de twintig exemplaren om alle familieleden die erin werden afgebeeld een exemplaar te geven. Misschien dat dit plaatsvond tijdens een diner in Brussel op 7 februari 1907, want die plaats en datum vermeldt de titelpagina.

Het schilderij 'Het Joodse bruidje' van Rembrandt opent de reeks portretten en het is heel waarschijnlijk dat de ingezette hoofden die van het bruidspaar zijn.

Hedi Hegeman schreef over deze foto's (in Geschiedenis van de Nederlandse fotografie): 'In de privésfeer makte Maurits Binger nogal oubollige collages van Emrik & Binger fotoreprodukties in combinatie met portretfotootjes.' 

De 'lichtdrukken' (zoals ze werden genoemd) werden inderdaad gemaakt bij Emrik & Binger en wel voor een serie kunstboeken van Per Lamm. Die gaf ze in Parijs uit. De serie Les musées d'Europe werd geschreven door Gustave Geffroy. Maar, al zien ze er wat mal uit, de reproducties zijn niet willekeurig gekozen. Binger heeft er alles aan gedaan om de serie als geheel te parodiëren en dat begint al bij het omslag.





Reeks delen van 'Les musées d'Europe': La Hollande (1904),
La peinture au Louvre (1902), La National-Gallery: Londres (1906?),
Versailles (1903) en La Belgique (1905)
Het omslag (ook het stofomslag dat deels is meegebonden) van het deel over België toont wapens van verschillende steden. Binger liet die natekenen en vervangen door de wapens van vijf landen: Nederland, Frankrijk en Zweden spreken voor zich, gezien de herkomst en woonplaats van de echtelieden, maar de wapens van Engeland en Duitsland slaan misschien op andere familieleden (Binger zelf had er in elk geval zijn opleiding genoten).

Stofomslag in La Belgique (1905)
Stofomslag in Bingers editie van La Belgique (1907)


Het oorspronkelijke (stof)omslag is gesigneerd door de ontwerper ervan: René Binet (1866-1911), een architect wiens boek Esquisses décoratives (1902) voorzien was van een inleiding door de schrijver van de museale reeks, Gustave Geffroy. Het omslag werd gegraveerd door A. Lachtiver. Hun namen zijn natuurlijk niet vermeld op de Binger-imitatie. Ook op andere details heeft Binger gevarieerd.


Reekstitels in Bingers imitatie en in de originele uitgave
van La Belgique
De reeks heet bij hem niet Les musées d'Europe, maar Les nouveaux musées d'Europe, de nieuwe musea van Europa, die dus kennelijk volhangen met schilderijen waarop de familie Lamm-Binger geportretteerd is.

Waarom juist zulke portretten? Ten eerste natuurlijk, omdat Binger zelf amateurfotograaf was en als mede-eigenaar van Emrik & Binger kon beschikken over een drukkerij om het uit te voeren. Maar ook omdat de reeks museummonografieën door zijn zwager werd uitgegeven én omdat die Librairie Nilsson ook berucht was om vele fotoroman-achtige boeken en boekjes die onder andere via de stationskiosken aan de man en vooral de vrouw werden gebracht. Daar waren bijvoorbeeld enkele werken van Jean Lorrain (1855-1906) bij, zoals 20 Femmes dat werd geïllustreerd met 'illustrations photographiques d'après nature', een zinsnede die eigenlijk suggereerde dat er naaktfoto's in waren opgenomen, en inderdaad zien we vrouwen met ontblote boezem, die overigens dat weer zo 'bewerkt' is dat het plaatje wel semi-pornografisch, maar niet aanstootgevend was.


Jean Lorrain, 20 Femmes (1900)
(Een exemplaar van 20 Femmes (1900) is aanwezig in de KB: KW KOOPM C 1494.) 

Met die winstgevende kant van het uitgeversfonds van Per Lamm rekent zwager Binger op deze manier natuurlijk ook af, al kiest hij respectabele schilderijen om er de hoofden van de familieleden in te monteren en niet de Lorrain-achtige verschijningen. [Zie over deze fotoromans het artikel van Paul Edwards: 'Roman 1900 et photographie (les éditions Nilsson/ Per Lamm et Offertstadt Frères)', in Romantisme (1999).]








Bingers imitaties en de originele schilderijen
De familie zal, geschaard om tafel, de exemplaren hebben doorgenomen op zoek naar zichzelf en natuurlijk naar de anderen. Wie werd voortaan Napoleon genoemd of nar? Ik heb de indruk dat het portret van de nar (le bouffon) het meeste lijkt op Maurits Binger zelf.
Daarbij lijkt het dat Binger de keuze misschien heeft laten afhangen van de geportretteerden. In elk geval waren de afbeeldingen uit verschillende delen afkomstig:

(1) Rembrandt, 'Ruth et Booz' uit La Hollande (pagina 24)
(2) Greuze, 'La cruche cassée' uit La peinture au Louvre (tegenover pagina 26)
(3) Nattier, 'Madame Adelaïde, fille de Louis XV (en Diane)' uit Versailles (tegenover pagina 54)
(4) Watteau, 'Gilles' uit La peinture au Louvre (tegenover pagina 10)
(5) Frans Hals, 'Réunion des officiers des archers de Saint-Adrien' uit La Hollande (tegenover pagina 68)
(6) Robert Lefèvre, 'Napoléon Ire' uit Versailles (tegenover pagina 80)
(7) Romney, 'Mrs. Mark Currie' uit La National-Gallery (prent 12)
(8) Frans Hals, 'Portraits présumés de Hals et de sa seconde femme' uit La Hollande (tegenover pagina 14)
(9) Mme Vigée Le Brun, 'Portrait de Mme Le Brun et de sa fille' uit La peinture au Louvre (tegenover pagina 28)
(10) Frans Hals, 'Le Bouffon' uit La Hollande (pagina 16)
(11) Nattier, 'Madame Henriette (en Flore)' uit Versailles (tegenover pagina 52)
(12) Gerard Dou, 'Son portrait' uit La Hollande (tegenover pagina 40)
(13) Frans Hals, 'Portrait de femme' uit La National-Gallery (prent 48)

De rode belettering onder de prenten is in de originele delen uit verschillende lettertypen gezet, maar bij de imitatie van Binger gestandaardiseerd.

Na de dertien platen volgen nog 56 lege bladen, misschien bedoeld om foto's van het feest in te plakken?

Al met al een eigenaardige combinatie van huisvlijt, familiegrappen en moderne druktechnieken. In boekvorm ken ik geen andere voorbeelden uit die tijd.

Nu is het veel eenvoudiger om zo'n uitgave te maken, al blijft het ingewikkeld om goed te doen. Een fraai voorbeeld is het boek Le Louvre van Laurence Aëgerter. Het boek is een volledige reproductie van een oude catalogus van de schilderijen in het museum, maar elke originele foto is vervangen door een andere.


Laurence Aëgerter, foto in Le Louvre (2009)
Het zijn van internet geplukte foto's van de meesterwerken, met steeds een bezoeker die ervoor staat, ongeveer dus zoals je in het echte Louvre de kunst kunt bekijken.

Het boekje van Binger doet iets vergelijkbaars; het zou zijn of je in elk meesterwerk een familielid kunt herkennen. Lijkt het Joodse bruidje niet hele erg op tante Ger?

woensdag 20 juni 2018

212. Nergens anders: een oorlogsuitgave van Jan Praas

Boeken die nergens anders te vinden zijn dan in de KB, dat zijn altijd leuke aanwinsten. Vandaag ontving ik het boekje Expositie door Jan Praas, in 1942 gedrukt bij Drukkerij Koenders in Jutphaas.

Er zijn destijds maar zestien exemplaren gedrukt. Hoewel Dirk de Jong in zijn bibliografie Het vrije boek in onvrije tijd het boekje keurig beschrijft, is er geen exemplaar in zijn collectie (nu in Leiden) overgeleverd, en kennelijk ook nergens anders. De Jong meldt dat het monogram op het omslag staat voor de tekenaar ervan: Henk Doornekamp (geboren 1930).



Omslag en titelpagina (detail) van
Jan Praas, Expositie (1942)
Jan Praas leefde van 1921 tot 2011. In 1942 studeerde hij Nederlands in Amsterdam. Hij woonde in Utrecht en was daar een spil in literaire netwerken tijdens de oorlog. Hij werd de oprichter van het tijdschrift Parade der Profeten (1944-1945), waarvan de belangrijkste medewerker W.F. Hermans was. 

De titel Expositie verwijst niet naar een tentoonstelling, maar naar het eerste bedrijf van een klassiek toneelstuk, zoals de dichter zelf in het colofon uitlegt.


Colofon in Jan Praas, Expositie (1942)
Op de titelpagina is de naam van de drukkerij gedrukt: Drukkerij Koenders. Die was gevestigd aan de Utrechtestraatweg. nummer 76a, te Jutphaas. In het colofon werden de naam van drukker en drukkerij met de pen ingevuld: E. Koenders. Beetje eigenaardig.

De belettering op de rug is speels.


Jan Praas, Expositie (1942)
De gedichten zijn geschreven in 1942 en de keuze is zo gemaakt, althans dat legt de dichter ook weer in het colofon uit, dat al zijn genres worden vertegenwoordigd, dus niet alleen de gedichten met 'poëtische waarde', maar ook verzen met een 'rechtstreekse gemoedsuitdrukking'en het 'humoristische en luchtiger genre'. Overigens waren de gedichten - oplage immers zestien exemplaren - nadrukkelijk alleen bestemd voor 'enkele vrienden'.

Achterin zijn de exemplaren genummerd en gesigneerd door auteur en drukker. Dit is exemplaar nummer 3.

Waar gaan ze over? Over vissers bij een sluis, de wens om fel te leven, treinreizen, liefde, herinneringen aan vroeger (let wel, de dichter is net twintig jaar oud) en er is maar één gedicht waarin de oorlog aan de orde komt. Dat is in het korte gedicht 'Amsterdam 1942':

Amsterdam 1942

Achter de glazen wanden
van Amsterdam's Amstelstation,
hieven hoge gebouwen hun randen;
door de nacht drong een ver carillon,
dat met tien cadansvolle slagen,
vertolkte, wat ieder vernam,
die verduisterd Amsterdam
om verlossing voelde vragen.

                               Utrecht, 10/9 '42

De KB heeft honderden clandestiene en illegale uitgaven. Deze moet nog worden beschreven, maar zal binnenkort beschikbaar zijn.


Twee jaar later verscheen het gedichtje over Amsterdam - met kleine aanpassingen - in een nog zeldzamer bundeltje van Praas: Spervuur in inkt (1944). Dat werd getypt in acht à tien exemplaren en van illustraties voorzien door Hans Aalderink. Deze bundel bevatte alleen maar oorlogsgedichten over Joden op transport, angst voor aanhouding, munitiedepots en dergelijke.


Uit Jan Praas, Spervuur in inkt (1944)
met tekening door Hans Aalderink

vrijdag 8 juni 2018

211. Het Boek van Morgen

In november 1884 drukte Jean Marchand in Blois een curieus boek van Albert de Rochas met de titel: Le Livre de demain, het boek van morgen. Het bevat hoofdstukken over de mogelijkheden van kleur in boeken, door middel van papier en inkt.



Albert de Rochas, Le Livre de demain (1884)
In zijn introductie legt Albert de Rochas (1837-1914) uit dat het merendeel van de contemporaine bibliofielen maar een vaag idee heeft (en vaak verkeerd) van druktechnieken, papier en inkt. Als zij zelf iets publiceren, laten ze de opmaak en de keuze voor papier en dergelijke over aan hun uitgever of drukker, en die kiest meestal de veiligste weg door niet iets nieuws uit te proberen.


Albert de Rochas, introductie in Le Livre de demain (1884)
Moderne industriële middelen blijven onbenut, zegt de auteur, en een van de zaken die makkelijk anders kunnen is de introductie van meer kleur in boeken, die meestal gewoon in zwarte inkt op wit papier worden gedrukt. De Rochas wil een voorbeeld stellen door in zijn boek op tientallen verschillende kleuren papier te drukken in een waaier van kleuren, van wit tot goud tot blauw tot geel. Hij doet dat, niet alleen om decoratieve redenen, nee, hij zegt:

mais encore pour servir d'auxiliaire à l'écrivain.

Kortom, ook om de auteur te helpen bij de expressie van zijn ideeën. Dat is een voorlijke opmerking in die tijd, waarin het idee dat de materialiteit van het boek de gedachte van een kunstenaar of auteur kan uitdrukken nog helemaal niet aan de orde is.  

Na de hoofdstukken over paper, inkt en kleur volgt een grote afdeling 'Applications', toepassingen van kleureninkt en gekleurd papier. Intussen blijven de decoraties en de opmaak wel wat achter bij de nieuwe ideeën en passen ze helemaal in de tijd van het Estheticisme.


Albert de Rochas, kleuren in Le Livre de demain (1884)
De kaders, sluitstukken en illustraties zijn helemaal uit de tijd zelf en doen nu verouderd aan, maar intussen is het boek een ongekend kleurrijk geheel geworden, met gouden en zilveren inkt, met vaak vier tot vijf verschillende kleuren inkt op één pagina van gekleurd papier gedrukt.


Albert de Rochas, Le Livre de demain (1884)
Het boek werd in Blois gedrukt, waar de auteur woonde, niet in Parijs. Raoul Marchand drukte 250 exemplaren en vermeldt in het colofon de namen van zijn personeel:

Vasseur, Conducteur typographe; Fleury, Conducteur lithographe; Hervy, Chef d'atelier; Meunier, Typographe. 

Ook dat is ongebruikelijk.


Albert de Rochas, Le Livre de demain (1884)
Achterin het boek worden nog verschillende soorten papier getoond met originele voorbeelden, bijvoorbeeld van papyrus, asbest en een stuk vijftiende-eeuws papier. Het KB-exemplaar kwam in de collectie met de papierhistorische collectie van Henk Voorn. Dit exemplaar is niet genummerd, en niet door de auteur, maar wel door de drukker gesigneerd. 

In studies over de materialiteit van het boek wordt deze wonderlijke uitgave niet genoemd, terwijl dat, naar mijn idee, juist een van de interessantste aspecten ervan is. 

woensdag 30 mei 2018

210. Post van Elisabeth Tonnard

In een VPRO-filmpje verstuurt kunstenaar Elisabeth Tonnard een pakje aan de KB. 

Tonnard is genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs 2018 voor haar bundel Voor het ideaal, lees de schaal. Terwijl ze het gedicht 'Coniferen' voorleest, prepareert ze de verzending van haar nieuwste kunstenaarsboek.

Elisabeth Tonnard plakt het etiket met KB-adres op een pakje
Het filmpje staat op Youtube, zie Dichterbij: Elisabeth Tonnard.

De VPRO schrijft erbij: 

Factuur, bubble wrap, handtekening. Elisabeth Tonnard maakt een bestelling van haar kunst postklaar.

Dat is op zich een performance. De acht vouwbladen getiteld 'Indirections' bevatten een korte tekst en een foto.

Op haar eigen website zegt ze erover: 

Indirections is a series of pamphlets that focus on the manoeuvring involved when things are presented to the public eye. Duplicitous language, selective filters, whether the deceptions of Soviet propaganda or the deceits that I find in my local newspaper (and they are surprisingly similar), bend and spin things that perhaps were never even straight to begin with. Each item in the series is a folded sheet containing a single found image and its caption. The caption is on the front, the image is hidden inside. By uncoupling them, the two elements are each given their own stage – as a result a new space opens up between them. In that space a small tragicomedy is played out.

Tekst en foto horen dus echt bij elkaar, maar lijken dat, zo geïsoleerd, niet meer te doen.

Inmiddels arriveerde het pakketje bij de KB.

En wat kon ik beter doen dan Tonnards performance beantwoorden met het fotograferen van het weer uitpakken van haar nieuwe uitgave?






Elisabeth Tonnard, Indirections (2018): uitgepakt voor de KB-collectie

maandag 28 mei 2018

209. Een hygiënische boekenlegger

In een boek dat ik lange tijd niet in handen had genomen, maar nu even nodig had, vond ik een oude boekenlegger: 'Spring netjes met dit boek om' stond bovenaan en eronder was op de ene zijde een springende lezeres en op de andere een springende lezer afgebeeld. De figuren leken wel vooroorlogs, met lange jurk en strik en met hoge hoed en jacquet, de humor was erg jaren vijftig-achtig, en de kunstenaar signeerde met Kuiper.


J.H.Kuiper, boekenlegger (ca. 1960)
Dat was Jan Houwe Kuiper (1928-2017), die voor de Haagse uitgeverij van L.J.C. Boucher veel vrolijke illustraties maakte, onder voor de verzamelbare 'Aforismenreeks'.

De boekenlegger is een uitgave van de Stichting Bevordering Hygiënische Gewoonten in Den Haag. Die gaf voorlichtingsmateriaal uit, zoals affiches, een moralistisch ganzenbord en folders met bijvoorbeeld wenken voor kampeerders (Hygiëne en kamperen, 1963). De stichting werd opgericht in 1956 op initiatief van de Nederlandse Vereniging van Zeepfabrikanten. Men moest dus zijn handen wassen voor het eten ('handen wassen tot en met!' luidde de spreuk), maar vooral moest men zeep kopen. Voorzitter vanaf 1960 was Mej. Mr. M. Prillevitz (daarvoor was het mevrouw J. de Ruijter-Visser). Men richtte zich eerst op de jeugd, maar in de loop der jaren werd het werkterrein uitgebreid tot 'huisvrouwen', later ook 'keukenpersoneel' en vervolgens 'iedereen', maar dan specifiek 'kampeerders', 'lezers', 'onderwijzend personeel', 'schoolartsen' en 'verpleegsters'.


J.H.Kuiper, boekenlegger (ca. 1960)
In 1961 verscheen een eerste boekenlegger, met als motto 'Lees het boek schoon' en met een tekening van een lezer in bad door Ted Schaap. (Zie Delpher.) De openbare bibliotheken hebben er destijds 100.000 van verspreid en nog eens 110.000 via andere kanalen. Een tweede boekenlegger werd ontworpen door Herman Berserik en in een oplage van 150.000 exemplaren gedrukt.
2,50
Houd dit boek schoon
: ,
p.
Bladwijzer of boekenlegger van de Haagse stichting Bevordering Hygienische Gewoonten. Deze stichting onder leiding
van mejuffrouw mr. M. Prillevitz was een vanuit de Nederlandse Vereniging van Zeepfabrikanten opgericht en actief


J.H.Kuiper, boekenlegger (ca. 1960)
De boekenlegger met de springerstekeningen van Jan Kuiper is niet alleen door bibliotheken, maar ook door boekhandels verspreid. Mijn exemplaar draagt daarvan het spoor: een inktstempel van 'Boekhandel A. GIETHOORN Zwolle'. 

De drie bladwijzers werden in 1961 gedrukt. In 1962 ontwierp Kuiper overigens ook het jaarverslag van de Stichting over 1961 (ik raadpleegde een exemplaar in Museum Meermanno) en daarin is veel informatie te vinden. De Kuiper-boekenlegger verscheen in augustus 1961 in een oplage van 150.000 exemplaren, maar al in oktober was een herdruk nodig en die bedroeg nog eens 200.000 exemplaren. Er zijn er dus 350.000 van verspreid, mede dankzij de CPNB.



Stichting Bevordering Hygiënische Gewoonten in 1961 (1962):
omslag en marginale illustratie door Jan Kuiper
Kuiper ontwierp later ook de brochure Hygiëne en kamperen. Op het omslag daarvan zijn badkuipen en wastafels aan bomen gekoppeld; de 'kampeer-literatuurlijst' is geïllustreerd met een stapel dikke folianten die de campinggast veel plezier moeten hebben bezorgd, zeker als die op de fiets door de regen naar de camping reed.



Hygiëne en kamperen (1963):
omslag en tekeningen door Jan Kuiper

vrijdag 18 mei 2018

208. Een maand op IJsland

Gisteren, aan het einde van de dag, werd een boekje gebracht dat ontbrak in onze collectie: Ultima Thule of Eene maand op IJsland.  


G. Verschuur, Ultima thule of Eene maand op IJsland (1878)

De auteur: Gerrit Verschuur


Het is geschreven door G. Verschuur en dat was Gerrit Verschuur (1840-1906), die in Amsterdam werd geboren (op 24 februari 1840). Hij publiceerde reisverslagen over Amerika (in 1870), IJsland (1878), een 'reis om de wereld in 480 dagen' (1882), Palestina (1884), Australië en verre omgeving (1891), Guyana en het Caribische gebied (1894) en het oosten van Azië (1900). De laatste drie boeken verschenen in het Frans. Verschuur woonde (vanaf ongeveer 1882?) in Parijs. Hij stierf in Nice op 20 december 1906.

Hij kon al die reizen maken nadat zijn vader Wouterus was overleden in 1874; hij liet zijn zoon een fortuin na. Wouterus Verschuur was een bekende schilder van paarden. Misschien dat daarom een van de hoofdstukken in het boek over de reis naar IJsland begint met de wat ongebruikelijk zin:

Het is hier de plaats om eene beschrijving te geven van het IJslandsche paard.
(p. 60)

De jonge Verschuur, die aanvankelijk als assuradeur in zijn levensonderhoud voorzag, begon aan zijn reizen waarvan de verslagen eerst in tijdschriften en later in boekvorm verschenen. De reis naar IJsland werd gemaakt in 1877. Eigen Haard publiceerde het in afleveringen begin 1878. Het boek Ultima Thule verscheen op 25 maart 1878.


Algemeen Handelsblad, 25 maart 1878

De illustrator: Coen Greive


De reis naar IJsland werd ondernomen in het gezelschap van de kunstenaar J.C. Greive jr., ook een Amsterdammer (hij leefde van 1837 tot 1891). Hij maakte de illustraties in het boek. Aan het begin van zijn verslag noemde Verschuur de schilder Coen Greive 'een mijner oudste vrienden' (p. 2).

Greive was niet alleen schilder, hij maakte ook illustraties voor tijdschriften, zoals 'Op het IJ' in het Nederlandsch Magazijn (1863, nr. 6, p. 45). Kunsthandel Buffa gaf Greive verschillende opdrachten voor litho's, zoals Panorama d'Amsterdam (1860) en ook maakte hij een serie houtgravures over Nijmegen en omgeving.

J.C. Greive, 'Gezicht op de Waal bij Nijmegen' (1847)

Reis naar IJsland in 1877


Het tweetal was medio mei 1877 vertrokken uit Granton in Schotland. Het stoomschip Diana (op 15 mei vertrokken uit Kopenhagen) maakte een rondreis rond IJsland, waardoor auteur en kunstenaar verschillende plaatsen konden bezoeken op het eiland waarvan de oost- en noordkust relatief onbekend terrein uitmaakten. Het was niet ongevaarlijk, vanwege de vele ijsbergen die in de zomer rond IJsland dreven.

Aan boord waren zestien IJslanders die de winter in Denemarken hadden doorgebracht, twee Zweedse ingenieurs, een Deens echtpaar dat zich op IJsland ging vestigen en de twee Nederlanders. Op een van de Faeröer-eilanden kwam nog een Engelse reiziger aan boord. Vanuit de havensteden konden berichten worden afgegeven voor het thuisfront. Zo berichtte Het Nieuws van den Dag op 2 juni 1877 dat Verschuur en Greive, die overigens eerste klasse reizen en niet steeds met alle passagiers geconfronteerd werden (zie Ultima Thule, p. 37), goed waren aangekomen.


Het Nieuws van den Dag, 2 juni 1877
De reizigers namen zelf 'koffie, thee, chocolade, wijn, cognac' mee en hun bagage omvatte verder: 'hangmatten, weêrkundige instrumenten, warme en waterdichte kleederen, en een photographischen toestel' (p. 6-7). Hoewel er al redelijk compacte, inschuifbare camera's op de markt waren, was het toestel volgens de biograaf van Greive tamelijk groot en zwaar (zie Jan Greive, Johan Conrad Greive (1837-1891). Gewoon een vakman (2013, p. 77). Verschuur echter noteerde, toen het Deense echtpaar herenigd was met hun vooruit gereisde kinderen, en iedereen in een bootje naar de wal werd gevaren:

Ik had op de eene knie een kind en op de andere ons photographisch toestel!
(p. 42) 

Zo zwaar was het dus ook weer niet. In deze tijd van het jaar bleef het dag en nacht licht en was het nemen van foto's niet aan een tijdstip gebonden. Het weer speelde wel een rol, zoals in Akureyri:

Onder begunstiging van helder weder gelukte het ons vier photographische afbeeldingen van stad en baai te nemen, alhoewel de uitvoering met eigenaardige moeielijkheden gepaard ging.
(p. 33)

Dat kwam onder andere doordat het apparaat op een driepoot op het strand moest worden opgesteld, maar ook door het toesnellen van een nieuwsgierige menigte die het aanzag voor een muziekinstrument en zich ongeduldig voor de lens opstelde. De reizigers slaagden erin de menigte te verjagen met de waarschuwing dat het ding een kanon zou zijn - de lens zou vuur spuwen. Toch was het niet het eerste fototoestel op IJsland; bij een apotheker in het stadje waren foto's van de noordkust te koop die een Deense fotograaf er een jaar eerder maakte (p. 35). Ook als Greive ging zitten schetsen, bleek dat een ongekend tafereel. Greive werd ook steeds gevraagd zijn schetsen te tonen en, vanwege zijn muzikaliteit, uitgenodigd om plaats te nemen achter elk orgel, piano of klavecimbel waarbij hij zich ophield.

Greive maakte overal schetsen in potlood en waterverf. Eenmaal thuis werkte hij sommige schetsen uit in schilderijen, waarvan er in november 1878 enkele te zien waren in Arti et Amicitiae. 

Verschuur noteerde eigenaardigheden, zoals de gewoonte van herbergiers om 'doornatte reizigers' uit te kleden en af te drogen en hen daarna in bed te leggen (p. 28). Hij merkte op dat er een Nederlandse consul op IJsland woonde, al twintig jaar. Hij was een Deense koopman die al die tijd niet één Nederlands schip had gezien en 'nimmer een Hollander': het was 'een volslagen overtollig ambt' (p. 45-46), maar de man bleek verguld door hun aanwezigheid en op 3 juni 1877, bij een bezoek aan diens woning, wapperde de Nederlandse vlag uitbundig.

J.C. Greive, 'Gezicht op Reykiavik. Naar de natuur geschetst en op hout geteekend
door J.C. Greive Jr', in Ultima Thule (1878, tegenover p. 48)

Bibliotheek in Reykjavik


Het plein van Reykjavik was een grasveld waarop een 'verre van mooi' standbeeld van de beeldhouwer Bertel Thorvaldsen stond. Die was daar geboren, òf aan boord van een schip, òf na aankomst van zijn ouders in Kopenhagen. Aan het plein bevond zich ook een kleine kerk waarvan de zolder in tweeën was verdeeld:

op de eene helft bevindt zich de stads-bibliotheek, en op de andere het museum. De eerste doet denken aan een boekenstalletje; het tweede aan een uitdragerswinkel; maar het neemt niet weg dat diezelfde nederige boekerij vele zeldzame werken bezit. Onze prins van Oranje heeft in 1857 eenige Latijnsche boekwerken ten geschenke gegeven, die mij getoond werden; terwijl van prins Napoleon Les oeuvres de Plutarque aanwezig zijn. Laatstgenoemde had mij tijdens mijn bezoek te Parijs verzocht, den bibliothecaris er naar te vragen; ik heb dus kunnen constateren, dat zijn geschenk bewaard is gebleven.
(p. 52-53)


Mosfell en het binnenland



De reizigers maakten een lange en gevaarlijke reis naar het binnenland, langs rotskloven, 'lavaspitsen', 'oprijzende rookkolommen', meren en besneeuwde bergen op weg naar vulkanen en heetwaterbronnen.

Tijdens deze tocht verbleven de twee onder andere een nacht in Mosfell, waar 'de kerk als hotel' werd gebruikt.


J.C. Greive, 'In de kerk te Mosfell. Naar de natuur geschetst en op hout geteekend
door J.C. Greive Jr', in Ultima Thule (1878, tegenover p. 64)
Matrassen kwamen naast het altaar te liggen. Op het altaar stonden 'flesschen, levensmiddelen en huisraad' (p. 64). De gasten kregen te horen dat ook twee Engelsen er de nacht zouden doorbrengen. Die bleken alleen Engels te spreken (Verschuur sprak Deens, Frans, Engels en nog een paar talen) en zich slecht te hebben voorbereid op het IJslandse klimaat. 's Ochtends werd het altaar als wastafel ingericht en kwam de 'pastor' een bezoekje brengen, 'in hemdsmouwen'. Op de prent die Greive van het kerkje maakte lijken niet de pastor en de Engelsen afgebeeld te zijn, maar Greive en Verschuur zelf, de een links tekenend in zijn schetsboek, de ander rechts een pijp rokend. 


J.C. Greive, 'In de kerk te Mosfell. Naar de natuur geschetst en op hout geteekend
door J.C. Greive Jr' (detail), in Ultima Thule (1878, tegenover p. 64)
Aan een detailopname van de pijp is te zien dat de illustraties in het boekje houtgravures zijn. Rechtsonder is de prent overigens gesigneerd door Greive: 'JC GREIVE Jr' en ook door het bedrijf dat de tekeningen op hout overbracht: 'Smeeton Tilly'. Dat was een samenwerkingsverband van de Engelse houtgraveur Burn Smeeton (werkzaam ca. 1840-1880) en zijn Franse compagnon Auguste Tilly (1840-1898). De firma was gevestigd in Parijs en leverde veel houtsneden voor de Nederlandse markt, onder andere aan uitgeverij Bohn te Leiden.

De foto's die Greive maakte op IJsland zijn niet opgenomen in het boek. Heel veel zal hij er niet geschoten hebben. Verschuur vermeldt dat Greive op een rustdag in Mosfell 'zijn tijd na het middagmaal besteedde met eenige photographieën te maken' (p. 68), maar een andere keer verzuchtte hij: 'Van teekenen of photografeeren kon niets komen' (p. 80). Dat kwam door een zware regenbui die dertig uur aanhield. Verder wordt het fotoapparaat in het boekje niet genoemd.


J.C. Greive, illustratie met initiaal 'E' in Ultima Thule (1878, p.  [1])
Voor de eerste tekstpagina maakte Greive speciaal een tekening van een kerk, een schuur en een huis, met op de voorgrond een stenen muur met opgestapelde keien in de vorm van een letter 'E', die dienst doet als initiaal voor de eerste regel tekst.

Een bijzonder exemplaar


De KB beschikte nog niet over een exemplaar van dit curieuze reisboek en heeft nu een bijzonder exemplaar te pakken. Het is speciaal gebonden in rood leer, met goudopdruk.


Boekband om G. Verschuur, Ultima Thule (1878)
Alle sneden zijn verguld en op de achterzijde is het wapen van Nederland afgebeeld. Dit exemplaar is door de auteur voorzien van een handgeschreven opdracht:

Aan Zijne Koninklijke Hoogheid
Prins Hendrik der Nederlanden

uit eerbied en hoogachting
opgedragen door
Zijner Koninklijke Hoogheid
gehoorzame Dienaar
G. Verschuur

Amsterdam 17 April 1878

De opdracht dateert van een maand na de officiële publicatiedatum.

Een exemplaar met een dergelijke opdracht aan koning Willem III bevindt zich in de collectie van het Koninklijk Huisarchief.

Met Hendrik is intussen de broer van de koning bedoeld: Willem Frederik Hendrik, prins der Nederlanden, prins van Oranje-Nassau, de derde zoon van koning Willem II. Hij werd geboren in Paleis Soestdijk (1820) en overleed in Kasteel Walferdange in Luxemburg in januari 1879. Nauwelijks een jaar nadat hij van Verschuur het boek ontving.

maandag 14 mei 2018

207. Meer over Cecile van Grieken

Gisteren schreef ik over enkele boekbandontwerpen van Cecile van Grieken van wie - ook bij Wikipedia en bij Marjan Groot, kenner van vrouwelijke ontwerpsters in Nederland - geen sterfjaar bekend was.

Maar er is meer te vinden en dat heb ik nu aan mijn blog toegevoegd:

Over het leven van Cecile van Grieken is enige informatie bijeengehaald door Marjan Groot voor haar boek Vrouwen in de vormgeving in Nederland. Zij vond het werk van Van Grieken overigens weinig belangrijk, en vermoedde dat ze maar zo'n zes jaar actief was.


Cecile van Grieken,
boekband voor uitgeverij Bridée
Cecile Jeanne Louise van Grieken was de dochter van lithograaf en architect T.M.M. van Grieken. Vanaf 1898 volgde Van Grieken een opleiding aan de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijzers in Amsterdam en vanaf 1902 aan de School voor Kunstnijverheid in Haarlem. Volgens Marjan Groot vertrok zij in 1907 naar Ternate. Daarna is er geen spoor meer gevonden.

Maar dankzij het digitaliseren van kranten is er meer te vinden. Wat deed Cecile van Grieken in Ternate in Nederlands-Indië? 

Volgens Het Nieuws van de Dag van 23 januari 1907 trouwde ze er op 21 januari met A.W.A. Last. Daarna kwam ze kennelijk weer even naar Nederland, want in februari 1907 scheepte ze zich in Genua in voor de tocht naar Batavia met de Rembrandt. In oktober 1913 stond ze op de passagierslijst van een reis vanuit Batavia naar Rotterdam met de Tabanan en in november 1914 reisde ze terug naar Nederlands-Indië ook weer met de Tabanan. Steeds reisde ze alleen, maar misschien bedroog de schijn, want A.W.A. Last had een 'examen stuurlieden' in 1904 met succes afgelegd en behoorde wellicht tot de bemanning. Later werkte hij als agent bij de Nederlandsch-Indische Handelsbank en in 1912 werd hij benoemd tot lid van de gewestelijke raad van Cheribon. Kennelijk volgde in een van de tussenliggende jaren een scheiding van Cecile van Grieken (in 1917 ging hij in ondertrouw met E. Westra).

Cecile van Grieken trouwde opnieuw, in Soerabaja, met Willem Serry - dat was op 31 mei 1916 (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 2 juni 1916). In 1930 woonde ze nog steeds in Soerabaja. Financieel ging ze het kennelijk niet voor de wind, want in juli 1932 probeerde een Haagse pensionhouder via het gerecht driehonderd gulden betaald te krijgen. Het echtpaar had toen geen bekend verblijfadres. Waarschijnlijk bleef hij achter in Nederlands-Indië en ging zij er juist niet naar terug. Later woonde ze in Duitsland.  

In 1938 woonde Cecile Serry-van Grieken aan de Herenstraat in Breukelerveen, vlak voordat zij zich aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog vestigde aan de Snelliuslaan 16 in Hilversum (De Gooi- en Eemlander, 26 januari 1939). Officieel kwam zij toen uit Duitsland, uit de plaats Frankenhausen. 

In 1946 verscheen de overlijdensadvertentie van Willem Serry in Trouw, alleen ondertekend door Cecile, die nog steeds in Hilversum woonde. Kinderen werden er niet genoemd, maar die waren er wel. Serry was, 'op weg naar huis aan boord van het motorschip "Tabinta" plotseling [..] overleden'. Hij was 59 jaar oud. 

In 1968 overleed zij zelf, wist Het Parool te melden: 'Cecile Jeanne Louise Serry-Van Grieken, 88 j.' Ze werd een 'lieve Moeder en Grootmoeder' genoemd en ze woonde aan het eind van haar leven in Soest. Maar als ontwerper was zij kennelijk al in geen tientallen jaren meer actief geweest. In Hilversum werd zij - in 1939 - ingeschreven als 'z.b.' (zonder beroep).