zondag 30 juli 2023

352. KB-vrouwen 1895-1940 (6)

Na de Eerste Wereldoorlog nam het aantal vrouwen in de KB toe. Was het eerst stapsgewijs gegroeid van één (1908), twee (1910), drie (1914) naar vijf (1916), in 1919 noteerde men acht vrouwelijke werknemers, in 1922 zelfs twaalf - daarna zou het bijna constant op tien blijven hangen (negen in 1926) totdat vanaf 1937 het aantal constant bleef op negen werknemers. 

Daar zijn dan wel enkele werknemers bijgeteld die geen deel uitmaakten van de wetenschappelijk staf, zoals enkele tijdelijke assistenten, (steno)-typistes of schrijfsters en enkele volontairs. Over deze en andere medewerkers die het publiek bijna nooit te zien kregen, een andere keer. Deze aflevering gaat over twee vrouwen waarvan de eerste een wetenschappelijke functie bekleedde en de tweede een administratieve. 

J.G.C. Schmidt-Gerritsen (in dienst: 1919; uit dienst: 1932)


In februari 1919 kwam voor het eerst een getrouwde vrouw in de KB te werken, 'Mevrouw' Johanna Gerarda Christina Gerritsen (Groede 1889 – Veere 1955), dochter van een Zeeuwse burgermeester. Haar aanvangssalaris was 800 gulden per jaar. 

De Nieuwe Courant, 15 februari 1913


Zij was op 15 februari 1913 getrouwd met W.C.M. Schmidt (1888–1970) van het vierde regiment huzaren, de Huzaren van Boreel. In 1919 verhuisde zij vanuit Deventer – met één dochter van vijf – naar Den Haag waar zij in februari als assistent verbonden werd aan de KB-afdeling Documentatie en Bibliographie.

Dat was een stap voorwaarts, niet alleen was zij getrouwd, zij was bovendien moeder van een dochter, Maria Hendrika Cornelia. Niet dat deze stap gevolgen zou hebben. Na haar zouden weer alleen ongehuwde vrouwen worden aangesteld.

Schmidt-Gerritsen deed het kennelijk goed: twee jaar later werd zij bevorderd tot wetenschappelijk assistent 2e klasse; een jaar later al werd dat 1e klasse (waarmee haar salaris steeg tot 2800 gulden per jaar). In april 1923 bezocht zij – met haar collega’s De Kempenaer en Pennink – het Congrès International des Bibliothécaires et des Bibliophiles in Parijs.

In oktober 1923 werd de scheiding van Schmidt en Gerritsen uitgesproken. 

In 1932 was zij wetenschappelijk assistente 1e klasse (een niet in de jaarverslagen genoemde bevordering die wel werd vermeld in  het KB-archiefstuk 'Personeel Kon. Bibl. tot 1937'). Wat haar taken inhielden is niet achterhaald, maar ze zullen gezien de afdeling waar zij werkte voornamelijk bibliografisch van aard zijn geweest; publicaties heeft zij niet op haar naam staan.

Arnhemsche Courant, 9 december 1932
[overgenomen uit de Staatscourant]

Zij kreeg vervolgens per 1 december 1932 op eigen verzoek eervol ontslag. 

Handtekeningen van W.J.F. von Berrnuth en J.G.C. Gerritsen
[Huwelijksacte, Gemeentearchief Den Haag]

Op de veertiende van die maand hertrouwde zij met Walther Johannes Franz von Bernuth (1891–1977), een amateur-kunstschilder en commissaris van een familiebedrijf. Ze verhuisde naar Veere waar zij op 25 maart 1955 stierf.

Het Vaderland, 26 maart 1955


Maria Gutterswijk (in dienst: 1919; uit dienst: 1958)


Op 1 maart 1919 werd 'Mejuffrouw' M. Gutterswijk als assistente toegevoegd aan de Administratie (jaarsalaris: 800 gulden). Kort daarvoor had zij nog in Amsterdam gewoond.

Maria Gutterswijk (Den Haag 1893 – Den Haag, 1983) was de dochter van een bureelchef en waarnemend griffier van het Kantongerecht. Ze was nog geen maand in dienst toen haar enige broer door een noodlottig ongeluk aan boord van een schip om het leven kwam.

De Nieuwe Courant, 28 maart 1919

Zij werd gerangschikt als ‘Administratief Ambtenaar’

Collega’s namen haar op 1 april 1955 in de maling schreef de onderbibliothecaris: 

Weer een ontbrekend boek ontdekt in Leeszaal. Mej. Gutterswijk geschokt, ook wegens critiek op haar controle.
(Dagboek Koninklijke Bibliotheek’, bijgehouden door A.J. de Mooy, notitie 1 april 1955).


Op 8 augustus 1958 werd gevierd dat zij veertig jaar in dienst was: haar dienst 'speelde zich uitsluitend in de leeszaal af'. Daarmee was zij ook voor het publiek een bekend gezicht.


Bij haar pensioen per 1 september 1958 werd ze omschreven als 'een bijzonder toegewijde ambtenares'. 

Het afscheid vond plaats op zaterdag 30 augustus 1958: 'Veel deining hierover!', schreef de onderbibliothecaris in zijn dagboek:

Er wordt ten slotte 3x afscheid genomen, de laatste keer door commissie uit het publiek.
(Dagboek Koninklijke Bibliotheek’, bijgehouden door A.J. de Mooy, notitie 30 augustus 1958).


Haar familieleden kenden haar als 'Marie' en noemden haar 'Tante Poes'. Ze overleed in Den Haag op 21 december 1983, negentig jaar oud.

Algemeen Dagblad, 24 december 1983

PS, 8 augustus 2023


Kort na de publicatie van dit blog, bezig met het ontdubbelen van KB-publicaties, vond ik een stapel archiefexemplaren van de Catalogus van de handbibliotheek in leeszaal en cataloguskamer der Koninklijke Bibliotheek uit 1930. Van dit 140 pagina's tellende naslagwerk werden aan veel KB-medewerkers exemplaren uitgedeeld die zij dagelijks bij hun werkzaamheden nodig hadden. Dat gebeurde kennelijk centraal en in een ferm bibliotheek-handschrift heeft iemand hun namen op de titelpagina geschreven. Maar in sommige exemplaren staan afwijkend geschreven namen, waarschijnlijk door de bezitters zelf genoteerd. Zo kan het dat we nu beschikken over tenminste één tastbaar spoor van Marie Gutterswijk: haar handtekening.

Catalogus van de handbibliotheek in leeszaal en
cataloguskamer der Koninklijke Bibliotheek
(1930): exemplaar van M. Gutterswijk

Normaal is de catalogus een centimeter dik, maar het exemplaar van Gutterswijk is met wit doorschoten, dat wil zeggen: herbonden met tussen elk blad een leeg vel, voor aanvullingen en aantekeningen. Dat exemplaar, herbonden in rood linnen, is drie keer zo dik. En in de loop der jaren zijn er zoveel aantekeningen bijgeschreven, dat je wel heel goed de weg moest weten in de leeszaal om er nog uit te komen. Maar dat was precies haar taak.



Catalogus van de handbibliotheek in leeszaal en
cataloguskamer der Koninklijke Bibliotheek
(1930): exemplaar van M. Gutterswijk


 

dinsdag 18 juli 2023

351. KB-vrouwen 1895-1940 (5)

Het vijfde vrouwelijke personeelslid werd door de KB aangenomen tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen Nederland weliswaar afzijdig en neutraal bleef, maar er van alles veranderde.

Annie Lankhout (in dienst: 1916; uit dienst 1951)

Na ruim vijf jaar als volontair te hebben gewerkt voor de KB, werd in maart 1916 'Mejuffrouw' A. Lankhout benoemd tot assistent, ze begon op 1 april van dat jaar, kunnen we nu nalezen in het KB-verslag over 1916.

Familie Lankhout, registratie Utrecht 1890 (Het Utrechts Archief)

Anna (roepnaam Annie) Lankhout (Utrecht 1886 – Oegstgeest 1960) woonde na hun verhuizing naar Den Haag tot 1933 bij haar ouders in het Bezuidenhout. Haar tijd als volontair werd echter niet eerder genoemd in de jaarverslagen en al evenmin geregistreerd in het Vrouwenjaarboekje voor Nederland, waarin zij pas vermeld wordt in jaargang 1917. Dan staan er vijf vrouwelijke KB-employees op de loonlijst: conservator Timmer en de wetenschappelijke assistenten Schouten, De Kempenaer, Simons en Lankhout.

In 1921 werd Lankhout bevorderd tot 2e klasse assistent. Ze verdiende toen 2000 gulden per jaar (KB-archief 2.7.21 ‘Personeel Kon. Bibl. tot 1937’).

De standaard, 17 december 1925

In 1925 slaagde zij voor het examen Italiaans M.O. Vanaf 1927 tot en met 1932 bood zij thuis haar diensten aan als lerares Italiaans voor ‘Club- en privaatlessen (Methode-Guarnieri)’ (zie advertenties in Het Vaderland en De Avondpost, 13 september 1927).

De Avondpost, 13 september 1927


Met J.E. Bas Backer, lerares Italiaans aan het Amsterdamse Conservatorium, werkte ze aan het tweedelige Italiaansch-Nederlandsch, Nederlandsch-Italiaansch woordenboek dat in 1932–1933 verscheen. Vanaf 1933 woonde Lankhout in Pension Rosarium aan het Jozef Israëlsplein (Benoordenhout), waar zij in de avonduren Italiaanse les in een ‘conversatieclub’ gaf (zie Het Vaderland, 27 oktober 1933).

A. Lankhout, Italiaansch-Nederlandsch woordenboek
(deel 1 van de set) (1932)
Omslagontwerp door André Vlaanderen


In 1936 nam zij deel aan een reis met de krant Het Vaderland via Portugal en Marokko naar de Italiaanse Rivièra, waar zij ter plekke een Italiaans dankwoord uitsprak. Voor dezelfde krant vertaalde zij ‘De tooverdrank’ van Grazia Deledda (Nobelprijs 1926), gepubliceerd op 1 oktober 1938.

Lankhouts advertenties voor Italiaanse lessen verschenen tot in september 1940, maar met de Tweede Wereldoorlog veranderde alles. 

Eind 1940 of in februari 1941 (de KB-jaarverslagen spreken elkaar tegen) werd zij ontslagen – op instructie van de Rijkscommissaris. 

Eerst verbleef ze, waarschijnlijk vanaf december 1942, in de Joodsche Invalide in Amsterdam en begin maart 1943 kon zij op het nippertje, maar zonder haar boeken en kleding, verhuizen naar het Joodsch Tehuis op het landgoed De Schaffelaar in Barneveld (zie NIOD, archief 101B, Kabinet van Binnenlandse Zaken, Inv. no. 410).

NIOD: 101bKabinet van het Departement van Binnenlandse Zaken,
410 Lankhout, A. (10 maart - 27 september 1943)

Via kamp Westerbork belandde zij in Theresienstadt, net als haar broer Julius Lankhout, huisarts en cardioloog. 

Lankhout behoorde tot de overlevers die op 8 mei 1945 werden bevrijd (haar broer ook). 

Lankhouts naam verscheen weer in het KB-jaarverslag over 1945: 'Mej. A. Lankhout […] keerde uit Theresienstadt terug, maar kon wegens ziekte haar werkzaamheden nog niet hervatten.'

Het is onzeker of ze snel na haar terugkeer alsnog aan het werk ging in de KB – waarschijnlijk niet; in 1945 en 1946 had zij behoefte aan extra bonnen voor levensmiddelen (Zie NIOD). In 1947 was zij tijdelijk afwezig door een verkeersongeval. 

Op 1 augustus 1951 ging zij met pensioen als adjunct-wetenschappelijk ambtenaar na 'een 35-jarige diensttijd' – de oorlogsjaren werden meegerekend. 

Leidsch Dagblad, 29 september 1956

In september 1951 hernam Lankhout haar praktijk als lerares Italiaans en woonde zij op verschillende adressen in Den Haag. In 1956 zette zij haar lessen voort vanuit Oegstgeest, waar zij op 3 december 1960 stierf, 74 jaar oud – haar graf ligt op het Haagse kerkhof Oud Eik en Duinen. 

Een portret, een karakterschets, een van haar uitspraken, een brief, een taakomschrijving van haar werk in de KB: niets van dat alles is bewaard gebleven.

De KB viert haar 225-jarig bestaan

dinsdag 11 juli 2023

350. KB-vrouwen 1895-1940 (4)

De vierde vrouw die in dienst kwam van de KB tussen 1900 en 1940 was E.M.A. Timmer.

E.M.A. Timmer (in dienst: 1916; uit dienst 1950) 

In juli 1916 werd 'Mejuffrouw' Dr. E.M.A. Timmer benoemd tot 'Conservator der Afdeeling Geschiedenis, Aardrijkskunde en Folklore', ze begon in augustus. Dat was twee jaar nadat S.C.A.C.J. Schouten als assistente eerste klasse was komen werken bij dezelfde afdeling. Timmer verdiende al meteen ruim 600 gulden per jaar meer dan Schouten, maar met 3000 gulden was dat 200 gulden minder dan haar mannelijke collega's, zoals Dr. C.H. Ebbinge Wubbe, die zijn salaris bovendien sneller en meer zag stijgen en als conservator binnen enkele jaren duizend gulden meer ontving (zie KB-archief 2.7.21 ‘Personeel Kon. Bibl. tot 1937’.

Emilia Maria Anna Timmer (Den Burg, Texel 1885 – Den Haag 1953) werd geboren in een Doopsgezinde familie die in 1888 naar Utrecht verhuisde waar haar vader geneesheer aan een 'krankzinnigengesticht' was. 

Registratie van de familie Timmer-Loman in Utrecht, september 1888

Later verhuisde ze naar Haarlem, waar Emilia in 1905 voor haar examen Gymnasium slaagde. Zij legde haar kandidaatsexamen in de Nederlandse letterkunde af aan de Universiteit van Amsterdam, gevolgd door het doctoraal examen in 1913. Ze woonde daarna in Delft.

Texelsche Courant, 29 mei 1913


Zij was intussen een tweede carrière begonnen onder het pseudoniem Emma van Burg en publiceerde twee romans: De voorgeschreven weg (1908) en Isola Bella (1913). Het eerste boek werd door Herman Robbers in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift (hoewel ze daarin regelmatig publiceerde) niet hartelijk ingehaald als een meesterwerk en dat gold voor veel  romans van vrouwen destijds:

Dit boek is niet wat wij afgesproken hebben litteratuur te noemen. God-bewaar-me! Dat zij verre!... Aangename lectuur is het ook al niet!... Maar 't is lectuur die u vasthoudt, door haar oprechte, spontane menschelijkheid, en de schrijfster is iemand om goed op te blijven letten. What next?... Een niet in dien onmogelijken ik-vorm, zorgvuldiger, béter geschreven boek?... Ik hoop er op!

Emma van Burg, De voorgeschreven weg (1908)

Wat de roman nu nog interessant maakt is dat die begint binnen de gelederen van een leesclubje in Haarlem, waar gedichten worden voorgelezen en de voordrachten becommentarieerd. Men leest er bijvoorbeeld Van Eeden, Couperus en Hélène Swarth, maar al snel gaat het meer om wandeltochten en liefdesperikelen en het tweede hoofdstuk begint met de mededeling: 'De club verliep'. De leden waarom het gaat zijn een jonge arts, een net afgestuurde wis- en natuurkundige en een jonge studente Middelbaar Nederlands. De eerste vermoordt de tweede uit jaloezie om de derde.

Carry van Bruggen schreef overigens veel positiever over dit boek en leverde een blurb over de eerste roman aan die werd afgedrukt op de achterzijde van de tweede roman, Isola Bella: 'Een tragisch en treffend verhaal.' Zij vond het knap dat de moordende arts 'ons sympathiek' blijft. Van Bruggen én Van Burg publiceerden regelmatig in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift. Of zij elkaar kenden, weet ik niet.

Isola Bella werd al even minachtend ontvangen. Het boek gaat niet over een dromerig Italiaans eiland, overigens, maar over Texel, haar geboorteplek, of zoals G.F. Haspels in 1913 schreef in Onze eeuw: 

Gezellige koffiedrinkers, goedhartige vrijers en vrijsters, maar absoluut kleurloos, zonder eenige persoonlijkheid. Voortreffelijk geteekend, maar zijn ze de voortreffelijke teekening waard?

Emma van Burg, Isola Bella (1913)

Tussentijds werkte Timmer aan haar proefschrift Knechtsgilden en knechtsbossen in Nederland. Arbeidersverzekering in vroeger tijden (promotie UvA, 1913). 

In 1914 werd zij lid van het Historisch Genootschap in Utrecht. Kort na haar aantreden als conservator in de KB stond zij genoteerd als secretaresse van het Plaatselijk Comité Delft van de Nederlandsche Anti-Oorlog-Raad, later werd zij in Den Haag lid van de Liberale Staatspartij De Vrijheidsbond die bijvoorbeeld pleitte voor openbaar onderwijs en gelijke rechten voor mannen en vrouwen. Kortom, zij was pacifiste en liberaal.

Nederlandsche Anti-Oorlog Raad (uitgave 2):
Wat de Nederlandsche Anti-Oorlog Raad gedaan heeft (1915)

Vanaf 1916 woonde zij voor haar werk in Den Haag, eerst in de Van Kinsbergenstraat en vervolgens aan de Statenlaan en de Laan van Nieuw Oost Indië en vanaf 1933 woonde zij aan de Badhuisweg. Haar voornamen werden op de persoonskaart van de Gemeente Den Haag genoteerd als Emilie Marie Anna.

In 1918 volgde de publicatie De generale brouwers van Holland. 

In 1930 had zij als 'conservatrice' inmiddels 30.000 plakkaten gerangschikt. In 1931 verscheen de Catalogus der verzameling plakkaten en in 1937 het register. 

Haar feminisme bleek in 1935 uit haar bestuursfunctie van de Eerste Nederlandsche Soroptimismeclub in Den Haag, een vereniging die zich inzette voor vrouwenbelangen, waarvan de leden in 1936 een rondleiding kregen in de KB; er werden middeleeuwse handschriften getoond en een verslag ervan verscheen in De Nederlandsche Soroptimist (februari 1926).

Per 1 mei 1950 werd zij gepensioneerd. Haar naam (zei men in het KB jaarverslag over 1950) zou verbonden blijven aan de pamfletten- en plakkatencollectie. Dat zijn altijd optimistische zinnen voor intern gebruik; buiten de KB zullen weinigen er blijvend weet van hebben gehad. Catalogi van zulke efemere publicaties zijn altijd discutabel en je hebt het dus achteraf gezien nooit goed genoeg gedaan. Zelf schreef ze er naar aanleiding van een congres in 1947 over (in Het Boek, 1947-1948):

Op het bibliotheekcongres in Juni 1947 is ampel gediscussieerd over het gevaarlijk ondernemen om pamflettitels te incorporeren in de algemene catalogus. Welnu, laat ik maar dadelijk bekennen: ik ben er blij om dat indertijd de hier bedoelde bezwaren de toenmalige directie niet weerhouden hebben om ook dit belangrijke gedeelte van het bezit der Koninklijke Bibliotheek via alfabetische en systematische catalogus gemakkelijker voor het publiek toegankelijk te maken.

 E. de la Fontaine Verwey, 'In memoriam Dr. E.M.A. Timmer'
in: 
De Nederlandsche soroptimist, juli 1953

Na haar pensioen werkte zij aan een novelle die nooit gereed kwam. Dat schreef KB-collega en mede-soroptimiste E. de la Fontaine Verwey, die haar omschreef als een 'kunstenaar' met 'een zeer gecompliceerd', maar hartelijk karakter. Timmer was 'een markante persoonlijkheid, scherpzinnig en ad rem, vol belangstelling voor alles, wat er in de wereld voorviel: zij had een uitgesproken en welgefundeerd oordeel en was steeds bereid tot uitvoerige discussies. Zij kon heel opgewekt en geestig zijn, maar tevens was er aan haar wezen een zwaarmoedige kant […]'. (Zie E. de la Fontaine Verwey, 'In memoriam Dr. E.M.A. Timmer', in: De Nederlandsche soroptimist, juli 1953).

Timmer overleed op 68-jarige leeftijd, ongehuwd, in mei 1953 in Den Haag.

We hebben geen portret.

De KB viert haar 225-jarig bestaan

vrijdag 30 juni 2023

349. KB-vrouwen 1895-1940 (3)

Na het aantreden van de eerste twee vrouwen als personeelsleden van de KB - Aafke de Kempenaer in 1908 en Fanny Simons in 1910 - duurde het vier jaar voordat de derde vrouwelijke employee werd aangenomen: 'mejuffrouw' Schouten.

S.C.A.C.J. Schouten (in dienst: 1914; uit dienst 1932)

In april 1914 kwam 'Mejuffrouw' S.C.A.C.J. Schouten in dienst als wetenschappelijk assistente 1e klasse bij de afdeling Geschiedenis, Aardrijkskunde en Folklore (zie het jaarverslag over 1913).

Sophia Cornelia Adriana Catharina Jacoba Schouten (Gouda 1880 – Oosterbeek, 1968) slaagde in 1906 voor het M.O. examen Nederlandse taal- en letterkunde. Zij werkte mee aan de Catalogus van folklore in de Koninklijke Bibliotheek (1919–1922). 

Haags Gemeentearchief, BS Huwelijk
aktenummer A309
[bron: Open Archieven]

In maart 1923 - zij was 42 jaar oud - trouwde zij met haar voormalige leraar Nederlands uit Gouda Jan Hendrik van den Bosch (1862–1941). Hij woonde destijds in Voorburg, zij in Den Haag. Hij was een bekende taalpedagoog en literair historicus en publiceerde in 1890 een enkele malen herdrukte editie van Hoofts Granida, redigeerde de reeks Zwolsche Herdrukken waarin hij zelf meerdere delen voor zijn rekening nam, en gaf daarnaast les in Gouda. Zijn eerste huwelijk met Hendrika Bokkers was eerder dat jaar op de klippen gelopen. Schouten was 18 jaar jonger dan haar echtgenoot en maakte al vrij snel mee dat hij werd gepensioneerd, in 1927. 

Zelf werd zij in 1932 op wachtgeld geplaatst; ze was toen 52. Volgens de Nederlandsche Staatscourant (16 november 1932) waren haar werkzaamheden overbodig geworden. Ze was niet de enige – het gold ook voor de onderbibliothecaris. Dagblad Het Volk kopte honend: 'Regeering bezuinigt op wetenschap' (17 november 1932). Zij kregen eervol ontslag. De economische crisis was de werkelijke reden voor hun ontslag. Voor de andere medewerkers gold dat hun salaris vanaf 1933 met tien procent gekort werd.


Wat een wetenschappelijk assistent precies voor werkzaamheden uitvoerde is niet goed in kaart te brengen, maar duidelijk is dat het meewerken aan catalogi op bepaalde vakgebieden erbij hoorde, net als het beantwoorden van binnen- en buitenlandse vragen op dat terrein. Dat waren er vele in een tijdperk, uiteraard zonder internet, waarin minder gereisd werd en directe toegang tot wetenschappelijke kennis schaars was en haar terrein was nogal breed: geschiedenis, aardrijkskunde en folklore. Bovendien is gebleken dat zij ook vragen beantwoordde over middeleeuwse handschriften.


Zij behoort dan ook tot de KB-medewerkers die in dankwoorden werden genoemd, zij het vaak incorrect. Sommige onderzoekers gingen er vanuit - sprak het niet vanzelf? - dat zij een man was. Joseph Morawski (1888-1939), bijvoorbeeld, bedankte haar als hem voor gegevens over een Haagse veiling: 'Je dois des renseignements à une obligeante communication de M. Le Bibliothécaire S. Van den Bosch-Schouten'. Zijn artikel 'Notice sur deux manuscrits provenant des anciennes librairies de Bourgogne et du Louvre' verscheen in het tijdschrift Romania in 1933 (no. 235, pp. 431-437).

Artikel van J. Morawski in Romania, 1933 (fragment van pagina 436)

Die fout werd gelukkig niet door iedereen gemaakt. Ook was zij natuurlijk niet de bibliothecaris. Anderen noemden haar ten onrechte 'conservator'.

Historicus J.K. van der Haagen (1902-1966), bijvoorbeeld, dacht dat zij conservator was en noemde haar zo in zijn artikel 'De H. Caecilia in legende en kunst', verschenen in Het Gildeboek van december 1930 (p. 149).

J.K. van der Haagen, 'De H. Caecilia in legende en kunst',
Het Gildeboek, december 1930 (fragment p. 149)

Nadat haar verbintenis met de KB tot een einde kwam, verhuisden zij en haar echtgenoot in september 1934 naar de Ericalaan 7 in Wageningen. 

Over de dood van Van den Bosch is geen overeenstemming. Hij stierf in een ziekenhuis in Arnhem op 18 november 1941 (zie een kort in memoriam in het Algemeen Handelsblad, 20 november 1941) of 'na een chirurgische behandeling in een Leidse kliniek' (H.J. de Vos) of gewoon thuis in Wageningen (levensbericht in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1943); zijn dood werd geregistreerd in Arnhem. 

Van Sophie Van den Bosch-Schouten zijn verder weinig levenstekens meer aangetroffen. In 1947 woonde zij nog in Wageningen toen zij een familiebericht  mede-ondertekende en toen zij dat in 1964 nog eens deed, woonde zij in Oosterbeek. Zij werd 87 jaar oud en stierf in Oosterbeek op 28 februari 1968 (De Telegraaf, 2 maart 1968 [*]) Een portret is niet publiek bewaard gebleven.

[*] Voor deze bron ben ik dank verschuldigd aan Evert Veltkamp, Brussel.

dinsdag 20 juni 2023

348. KB-vrouwen 1895-1940 (2)

In 1908 kwam Aafke de Kempenaer als eerste vrouwelijk personeelslid in dienst van de Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. Twee jaar later kreeg ze gezelschap van Fanny Simons.

Fanny Simons (in dienst: 1910; uit dienst 1926)


In maart 1910 werd 'Mejuffrouw' Fanny Simons door de KB aangenomen als klerk voor de nieuwe afdeling Documentatie. 

Fanny Simons werd in Den Haag geboren in 1885 en zou er in 1953 overlijden. Haar vader was een koopman die handelde in mode-artikelen, Moses Simons, getrouwd met Henriette van Cleeff (zij kregen nog een dochter, Carolina Simons).

Aangifte van de geboorte van Fanny Simons (1885)


In een eerdere betrekking (1909-1910) verstrekte Fanny Simons inlichtingen - tarieven, jaarverslagen, prospectussen - over een Franse verzekeringsmaatschappij. Ze had ook opgetreden in het Kurhaus waarbij zij de Haagse sopraan Emma Simons op de piano begeleidde. (Even terzijde: Emma Simons lijkt geen direct familielid te zijn. Zij trad overigens later ook zonder Fanny's begeleiding elders op, bijvoorbeeld in 1912 in Haarlem. Zij werd op 26 augustus 1942 vermoord in Auschwitz.)

Fanny Simons werd, tegelijk met De Kempenaer, per 1 januari 1912 bevorderd tot wetenschappelijk assistent 2e klasse. 

Vrouwenjaarboekje voor Nederland (1914)

In 1913 publiceerde zij bij uitgeverij Nijhoff de Haagsche bibliotheekgids waarin zij als eerste de KB opvoerde inclusief een tableau de la troupe, zodat iedere lezer wist dat in 1913 twee vrouwen en vijfentwintig mannen werkten in de KB en dat slechts éénzesde van de wetenschappelijke staf uit vrouwen bestond. Ter vergelijking: de Openbare Leeszaal en Bibliotheek in Den Haag had elf medewerkers, van wie vijf vrouw. 

Het bibliotheekwezen in de grote steden was versnipperd, er waren niet alleen openbare bibliotheken en Nuts-bibliotheken, maar ook schoolbibliotheken en, speciaal in Den Haag, departementsbibliotheken en natuurlijk de KB.

Datzelfde jaar werkte ze als secretaresse van de Commissie voor Kunstonderwijs mee aan de Katalogus der afdeeling muziek en methodisch spreken van de rubriek “Kunstonderwijs” in het paviljoen Onderwijs van de tentoonstelling “De Vrouw”, 1813-1913. Ze publiceerde verschillende artikelen in het Maandblad voor bibliotheekwezen over functiebenamingen (1913) en muziekbibliotheken (1914). In haar vrije tijd werkte ze bovendien als ‘secretaresse-bibliothecaresse’ voor de Haagse vereniging Openbare Muziekbibliotheek. 

Simons werd in april 1917 bevorderd tot wetenschappelijk assistent 1e klasse, vanwege haar verdienste voor het Repertorium op de Nederlandsche tijdschriften - in juni 1923 ondertekende zij het voorwoord van het negende supplement.

In 1923 publiceerde zij in Bibliotheekleven regels voor muziekcatalogi – het werd de rode draad in haar professionele leven. Zij hield bijvoorbeeld in 1925 een voordracht over het uitlenen van grammofoonplaten. Ze verdiende destijds 3100 gulden per jaar.

Het was duidelijk waar haar hart lag: de muziek. Ze bezocht dan ook talloze concerten in Den Haag en nam initiatieven voor concerten zoals dat voor 'Kunst aan Allen' waar in 1924 de Arnhemsche Orkestvereeniging kwam optreden onder leiding Martin Spanjaard. Ze bekleedde ook functies in de Vereeniging voor Kamermuziek Den Haag en het Messchaertfonds.

Fanny Simons als muziekbibliothecaresse (vanaf 1926)


Per 1 mei 1926 stapte Simons over naar de Haagsche Muziekbibliotheek die was ondergebracht in de Openbare Leeszaal en Bibliotheek. Daar had ze eerder als vrijwilliger rondgelopen, maar nu kreeg ze er de leiding als hoofdassistente voor het muziekbibliotheekwerk. De bibliotheek moest er wel wat moeite voor doen, want het budget voor een hoofdassistent ontbrak aanvankelijk. De muziekbibliotheek had een eigen budget aangevraagd, maar in overleg werd besloten dat de nieuwe functionaris niet alleen voor de muziekbibliotheek zorg zou dragen, maar ook, voor de helft van de tijd, voor de openbare leeszaal: 'zo was een extra gemeentesubsidie van fl. 1400 genoeg' (aldus De Vereenigde Tijdschriften Caecilia en het Muziekcollege, 10 juli 1926).

De Vereenigde Tijdschriften Caecilia en het Muziekcollege, 10 juli 1926

Men richtte zich met de muziekbibliotheek op volksopvoeding en de collectie bestond daarom uit 'ernstige' muziek, waarmee volksliedjes, salonmuziek en operette werden bedoeld (onder andere). Simons beijverde zich niet voor 'kluchtige coupletjes' of 'moderne banale hosdreunen'.

In 1935 verzorgde Simons voor de Centrale Vereeniging voor Openbare Leeszalen en Bibliotheken de tweede druk van de Regels voor de titelbeschrijving en schema van een systematische indeeling van muziekwerken.

Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werden Joodse medewerkers, ook Fanny Simons, ontslagen. Na de oorlog kon zij meteen weer aan de slag en werd zij met bloemen verwelkomd door haar directeur H.A. Greve. Maar er werd over de oorlog wel het zwijgen toegedaan. Misschien hebben maar weinigen geweten hoe zij die periode doorbracht. In 1942 is zij als medewerker voor huisbezoek en ziekenverpleging verbonden aan de Joodsche Raad. Ze kwam op een speciale lijst en werd geïnterneerd in Barneveld, maar werd in september 1943 alsnog opgesloten in kamp Westerbork om in september 1944 terecht te komen in het concentratiekamp Theresienstadt. Dat overleefde zij.

Toen zij op 25 november 1953 overleed was zij 68 jaar oud. De muziekbibliotheek zag zij als haar levenswerk en met haar pensionering in 1950 voelde het voor haar alsof men haar haar kind afnam. Een in memoriam omschreef haar karakter als nauwkeurig (van het type dat slordigheden van anderen niet duldde), maar ook als onkreukbaar eerlijk en trouw en dat zij beschikte over 'een altijd wakkere humor' - dat schreef de componiste Johanna Bordewijk-Roepman. Een van de laatste klusjes deed Fanny Simons voor de auteur Ferdinand Bordewijk. In 1952 typte zij de roman Het doopvont uit. Ze kreeg er een exemplaar met een handgeschreven opdracht voor retour.

Het Vaderland, 30 november 1953

[Zie onder andere: Mark Deckers, Geruisloos verdwenen uit de bibliotheekgeschiedenis. Het lot van de ontslagen Joodse bibliotheekmedewerkers. Zutphen, Walburgpers, 2022]


maandag 5 juni 2023

347. KB-vrouwen 1895-1940 (1)

Uit de archieven van de KB kunnen we opmaken dat er rond 1900 'vrouwelijke personen' in de KB kwamen studeren (citaat uit De Standaard, 14 september 1903). Eerder al waren er vrouwelijk leners, maar die namen de boeken mee naar huis; de studiezalen van de KB leken nogal op een door mannen bewoonde sociëteit. 

Leeszaal van de Koninklijke Bibliotheek in 1918
(Archief KB)

Op een gegeven moment werden er vrouwelijke personeelsleden aangesteld, maar sinds wanneer?

In de KB-jaarverslagen over 1895 en 1896 wordt één vrijwilligster genoemd, Mejuffrouw H.M.T. Faure, wier taak onbenoemd blijft. Zij zegde met ingang van 1898 haar vrijwilligersbaan op. 
Henriette Maria Theoda Faure (1867-1923) trouwde dat jaar met een neef.

Overigens werd met 'personeel' gedoeld op ambtenaren met een bibliotheekfunctie; overige krachten bleven buiten beeld. En ja, de gebruikelijke termen in die jaren waren 'Mejuffrouw' of 'Mevrouw' - voor mannen gold een onderscheid tussen ongetrouwd en getrouwd niet. 

Tot 1940 kwamen vijftien vrouwen in KB-dienst. Geen van hen figureert in de database Digitaal vrouwenlexicon van Nederland. Vandaar deze parade van KB-vrouwen. 

 

Aafke de Kempenaer (in dienst: 1908; uit dienst 1948)


De eerste werkneemster die het ver zou schoppen was 'Mejuffrouw' A. de Kempenaer, op 1 april 1908 aangesteld als 'klerk' (jaarverslag over 1908). Overigens werd zij vaak 'freule' de Kempenaer genoemd.


Aafke de Kempenaer (Den Bosch 1883 – Zutphen 1973) vierde die maand haar vijfentwintigste verjaardag. Ze behaalde haar acte 'Middelbaar Fransch', begon haar carrière als vertaler Frans en publiceerde in 1904 in De Hollandsche Lelie een vertaald verhaal van René Bazin ('Het klaverblad van vijf'). In die tijd steunde zij onder andere De Vereeniging tot voortdurende ondersteuning der nagelaten betrekkingen van verongelukte visschers met de opbrengst van een verloting: 27 gulden (Het Vaderland, 4 mei 1904).

De bevorderingen volgden elkaar op: wetenschappelijk assistent 2e klasse (januari 1912), wetenschappelijk assistente 1e klasse (juli 1916, vanwege haar werk aan de catalogus van Franse en Italiaanse werken) en wetenschappelijk hoofdassistente (1926) toen zij per jaar 3200 gulden verdiende (zie de jaarverslagen over 1912, 1915 en 1926 en KB-archief: 'Personeel Kon.Bibl. tot 1937'). 

Inderdaad, zij zat nooit stil: tussen 1918 en 1922 verscheen haar samen met Byvanck samengestelde Catalogus der Fransche taal- en letterkunde in de Koninklijke Bibliotheek en in 1928 publiceerde ze bij Sijthoff een standaardwerk over pseudoniemen: Vermomde Nederlandsche en Vlaamsche schrijvers. Het was een vervolg op een eerder werk uit 1885: intussen waren er vele nieuwe pseudoniemen in gebruik genomen. Daarover is in de KB uitvoerige correspondentie bewaard als bewijsmateriaal van auteurs die hun pseudoniem erkenden. 

De Kempenaer liet voor dit project in januari 1924 een mededeling in het tijdschrift Het Boek plaatsen (p. 87) en daar kwam meteen een verschrikte reactie op van Bertha Wolterson die haar schreef dat ze sinds enige tijd werkte aan zo'n aanvulling op het werk van Doorninck uit 1883. Ze vond het 'bijzonder prettig werk' maar het was nog 'verre van volledig'. De Kempenaer kon haar terugschrijven dat zij de beschikking had over een kleine 6000 fiches met gegevens over pseudoniemen. Zij was een stuk verder en had van zeven op de acht pseudoniemen de juistheid inmiddels kunnen vaststellen.  (Wolterson was wetenschappelijk assistente van de Universiteitsbibliotheek in Amsterdam, later conservatrice van het Vondelmuseum. Ze redigeerde eveneens catalogi van de collecties Deense en Zweedse literatuur. In 1951 overleed zij.)

Aafke de Kempenaer, aantekeningen voor een brief
aan Bertha Wolterson, ca. 8 april 1924
(KB: KW 135 B 280, fol. 336)


Een jaar later liet De Kempenaer nog een missive drukken, ondertekend in maart 1925, met een nieuwe oproep om mee te werken door haar pseudoniemen en anoniemen te sturen, liefst met de oplossingen erbij, 'voor zoover U dat geoorloofd is'. Overigens, deed zij dit werk kennelijk thuis want het contactadres was haar woning in Nassau Odijckstraat 29 in Den Haag. (De geciteerde brieven en de missive zijn bewaard in de KB als KW 135 B 280, fol. 334-339).

De Kempenaer probeerde eerst het werk te laten uitgeven door Wouter Nijhoff in Den Haag, maar zonder subsidie zag hij dit niet zitten en de correspondentie, begonnen in 1924, werd in 1927 afgesloten. Zij stond inmiddels al in contact met uitgeverij Sijthoff en toen bleek dat de Centrale Vereeniging voor Openbare Leeszalen en Bibliotheken bereid gevonden was het project te subsidiëren. Op 21 november 1927 reed een auto van de uitgever naar haar huis 'om de kopij in ontvangst te nemen'. Het honorarium bedroeg 500 gulden. Het boek verscheen in 1928 bij de Leidse uitgever A.W. Sijthoff.

Aafke de Kempenaer,
Vermomde Nederlandsche en Vlaamsche
schrijvers
(1928): titelpagina


Vervolgens werkte ze in stilte. Dat wil zeggen: haar werkzaamheden voor de KB worden niet meer genoemd in jaarverslagen of kranten.

In 1947 was zij, volgens het jaarverslag, afwezig vanwege een verkeersongeval. Op 1 april 1948 vierde zij haar veertigjarig jubileum en kort daarna, op 1 mei, werd haar eervol ontslag aangeboden vanwege 'de leeftijdsgrens' – zij werd 65 en nam afscheid als wetenschappelijk hoofdassistent. Op 10 mei van dat jaar ontving ze een koninklijke onderscheiding, Ridder in de Orde van Oranje Nassau (Nationaal Archief, archief 2.02.32: archief van de Kanselarij der Nederlandse Orden, 1815-1993). 

Ze werd negentig jaar oud. De crematie vond plaats in Dieren.

Heel veel weten we dus niet over haar en een portret heb ik nergens gevonden. Uit het bevolkingsregister blijkt dat zij niet tot een kerkgenootschap behoorde ('geen') en dat zij in Doorn woonde voordat zij in 1900 naar Den Haag kwam. In haar vrije tijd tenniste ze (tenminste, als ik haar niet verwar met een andere Mej. A. de Kempenaer, zou zo maar kunnen). Voor de Bataafsche Lawn Tennis Bond deed iemand met deze naam mee aan een landelijke competitie in Arnhem (De Nieuwe Courant, 10 augustus 1917).

woensdag 24 mei 2023

346. Fictieve bezoekers van de KB (10 en slot)

De Christelijke auteur P.J. Risseeuw (1901-1968) werkte voor de Twentsche Bank in Den Haag. Hij gaf in 1926 de aanzet tot de oprichting van de Christelijke Leeszaal en Bibliotheek te Scheveningen, waarvan hij tot aan zijn dood bestuurslid was. 

Zijn roman Geleend goed werd in 1966 verfilmd als De glazen stad. 

P.J. Risseeuw, Weekend in de Archipel (1954)

In een andere roman, Weekend in de Archipel (1954) komt de KB voor en, bijzonder, in de oorlogsjaren: 

Nu er zo onregelmatig wordt schoolgehouden, komt Lex nauwelijks uit zijn kamerjas en als het koud is blijft hij in bed, alles wat oorlog is trachtend te vergeten in een hardnekkige werkdrift voor het nog altijd uitgestelde proefschrift waarvoor hij dan nu eindelijk tijd zal krijgen. Soms kleedt hij zich aan en loopt hij, behoedzaam schuilend bij elk luchtalarm, de Frederikstraat en Denneweg af naar de Kazernestraat waar hij moeizaam de hoge trappen beklimt in het huis met de bekende geur van oude boeken, de Koninklijke Bibliotheek, die nu Nationale Bibliotheek wordt genoemd. Hoevelen vinden hier een toevlucht, een stille saamhorigheid in de strijd tegen de leugen, tegen de ontwaarding der menselijkheid. Hier haalt ook Lex Broos de boeken die hem voor een tijd de ellende doen vergeten. Elke keer opnieuw verbaast hij zich over de mogelijkheid tot nieuwe dooltochten in de veertig jaren geschiedenis die het onderwerp van zijn studie begrenzen: de Hollandse jaren van New York, de jaren van Nieuw-Amsterdam.
(P.J. Risseeuw, Weekend in de Archipel. Baarn, Bosch & Keuning, 1954, p. 505.)

De protagonist schrijft aan zijn proefschrift - een man uiteraard, een student, op weg naar geleerdheid - zoals we gewend zijn, hij is een van de archetypische KB-bezoekers. 

P.J. Risseeuw in Scheveningen

Ook zien we de KB weer als een bastion gekenschetst, dit keer tijdens de oorlog. De bezoekers zijn meer nog dan tevoren een besloten groep van - kennelijke - gelijkgestemden, die, net als tevoren, zwijgzaam in de omgang zijn. Ze spreken niet met elkaar. Maar nu is dat niet uit beleefde afstandelijkheid, maar uit een stilzwijgend protest tegen de leugen, de misinformatie in door de bezetter beheerste kranten. Zwijgen uit protest? Hoe dan ook, Risseeuw zelf werd geen lid van de Kultuurkamer en stond daarmee aan de goede kant van de geschiedenis.

Intussen bestudeert hij een andere bezetting: die van wat later New York ging heten, een land dat de Nederlanders veroverden op de inheemse bevolking van Amerika. 

Ongetwijfeld zag Risseeuw die eerdere verovering niet als een bezetting, maar intussen is het ironisch dat hij juist deze geschiedenis tegenover die van de Duitse bezetting van 1940-1945 plaatst.

[Lees in DBNL een artikel over P.J. Risseeuw]

De KB viert haar 225-jarig bestaan