vrijdag 12 mei 2023

345. Proeven van bekwaamheid

Drukkers en boekbinders legden vroeger een proeve van bekwaamheid af. Vaak kozen ze daarbij voor miniatuurboekjes. Het met de hand zetten van kleine loden letters en het met de hand binden van mini-formaten was extra lastig. Als je dat goed kon, wist het publiek dat ze je ook belangrijke opdrachten konden toevertrouwen. Twee van zulke proeven zijn onlangs gekocht voor de KB.

Kleine tafereelen uit het menschelyk leven (1805)

Om lid te kunnen worden van het Middelburgse boekdrukkersgilde moest een miniatuurboekje (minder dan 10 cm hoog) worden gemaakt. Daarvan zijn vooral achttiende-eeuwse exemplaren bewaard gebleven. Proeven uit het begin van de negentiende eeuw zijn zeldzamer. Een daarvan is gemaakt in Middelburg in 1805. Het is een bloemlezing van artikelen die eerder in tijdschriften hebben gestaan: Kleine tafereelen uit het menschelyk leven.

Kleine tafereelen uit het menschelyk leven (1805)

Omdat de handtekening van C. Adriaanse Jr voorin staat wordt aangenomen dat de drukker Cornelis Adriaanse (1752-1808) is. Hij was dus al 57 toen hij deze proef zou hebben gemaakt. (Misschien was Junior zelf wel de maker?) De drukker heeft in elk geval meer proeven in kleine formaten gemaakt zoals in het voorwoord staat: “Met het zelfde oogmerk, waarmede ik eenige vorige Boek-formaten bewerkte, vervaardigde ik ook dit vier-en-twintigen formaat, namelyk om er my mede te oefenen in de Boekdrukkunst.”

Boekenkastje met glazen deurtjes,
bekleed met papier in schildpadmotief,
bevat 31 miniatuurboeken. Ongeveer 1840

Een andere meesterproef is die van een boekbinder. Er is geen naam of woonplaats bekend. Het jaar van ontstaan kan alleen maar geschat worden op ongeveer 1840. Het gaat hier weer om miniatuurboekjes – het zijn er zelfs niet minder dan 31 en de verzameling is opgeborgen in een miniatuurboekenkast van 15 cm hoogte. Het gaat om een in Nederland gemaakt kastje.

Drie leren bandjes van miniatuurboeken
met blanco papier. Ongeveer 1840

De boekjes zijn niet gedrukt; ze bevatten blanco vellen (vaak gekleurd) papier. De binder toonde aan dat hij papieren bandjes kon maken, maar ook linnen en leren bandjes in verschillende kleine formaten; sommige met gedrukte rugtitels of etiketjes. 

Detail van boekenkastje met miniatuurboeken.
Ongeveer 1840

Uit de titels kunnen we de periode opmaken: ná de opstelling van de Code civil, ná de oprichting van het tijdschrift De Gids en ná het debuut van Victor Hugo. Sommige titels verwijzen naar deugden (Rust na arbeit), andere zijn grappig gekozen: Kunst om rijk te worden. We weten niet of de boekbinder daarin is geslaagd.

Detail van boekenkastje met miniatuurboeken.
Ongeveer 1840

Deze proeven zijn vanaf nu ongeveer twee maanden lang te zien in de vitrine bij de afdeling Bijzondere Collecties in de KB, Den Haag.

maandag 8 mei 2023

344. Fictieve bezoekers van de KB (9)

De dichter Martinus Nijhoff kon, als hij wilde, redelijk vals uit de hoek komen. Toen in 1934 de nieuwste roman van het echtpaar C. en M. Scharten-Antink verscheen, De gave gulden, schreef hij in een kritiek:

C. en M. Scharten-Antink, De gave gulden
(1938: derde druk)

Gisteravond heb ik 'De gave gulden', het laatste boek van de Schartens gelezen. Ik las het in de trein, tussen Culemborg, waar ik woon, en Groningen, waar ik de Kerstdagen bij mijn vader ging doorbrengen. Bij Utrecht was Bets, de hoofdfiguur van dit boek, gescheiden van haar man, Huub, een dokter te Rotterdam. Bij Amersfoort ontmoette zij, tijdens een reisje naar Meran, een lettré, genaamd Huug. Bij Harderwijk was Huug van zijn vrouw, Sophie, gescheiden en met Bets hertrouwd. Bets was 45 en zeer bemiddeld, Huug had geen cent. Bets onderhield de ex-familie van haar tweede man, ten nadele van haar eigen zoon uit haar eerste huwelijk met Huub. Behalve uit Sophie bestond die ex-familie uit drie stuurloze kinderen, waarvan de oudste, een Larens schilder, Hans, getrouwd was met Olga, een fascinerende Russin. Bij Zwolle bedroog Huug Bets met Olga, dus met zijn eigen schoondochter. Hans en Olga gingen scheiden en Hans hertrouwde met een zekere Miep. Bij Meppel waren Miep en Hans weer gescheiden, want Hans 'was' weer met Olga. Huug is met hangende pootjes weer bij Bets teruggekomen, bij Bets, 'de gave gulden' zoals men haar is gaan noemen. Zij heeft alles gefinancierd, zij is blut. 

Vooral de stijl van het echtpaar, meer nog dan het idiote verhaal, ergerde Nijhoff. Als hij het noorden van Nederland bereikt, denkt hij:

Bets, Huub, Huug, Sophie, Hans, Olga, Frits en Marie, en hoe ze verder heten mogen, waren als een klein ashoopje van verstrengelde overblijfselen bijgezet in de voorvaderlijke hunebedden, wier gebied de trein thans doorkliefde. [...] De mensen zijn as, dacht ik, daar hebben de schrijvers gelijk in. Maar zij hebben ongelijk van hun boek een urn te maken.

Maar of Nijhoff nu gelijk had of niet, de Scharten-Antinks hadden genoeg 'volgers': in 1938 verscheen al de derde druk en toen waren er bijna 6.000 exemplaren verkocht.

C. en M. Scharten-Antink, De gave gulden
(1938: derde druk,pp. 192-193)

Een van de hoofdpersonen in het boek, Huug, heeft een affaire gehad met Olga die vervolgens zwanger raakt en - nu ja, de complicaties zijn die van een soapserie. Aangezien Huug een journalist is, vat hij het plan op om zijn liefde voor Olga om te zetten in een 'stuk proza' dat alleen maar middeleeuwen uitwasemt. Om zijn vocabulair bij te spijkeren, leent hij boeken bij de KB:

Huug daarentegen werkte.... Zijn sublieme en poignante liefde voor Olga wilde hij omzetten in een rijk en edel stuk proza. Hij schreef een middeleeuwsch verhaal, waarin heel veel over huiven en wijlen, bliauten en fulpen wambuizen voorkwam. Hij vroeg boeken over costuumkunde en middeleeuwsch huisraad uit de Koninklijke Bibliotheek ter leen. Maar ten slotte snuffelde hij vooral in Warhold van Adriaan van Oordt.
[C. en M. Scharten-Antink, 'De gave gulden', in De Gids, 98 (1934), pp. 233-270 (hierin p. 255).]

Warhold was een roman uit 1906, geschreven door Adriaan van Oordt (1865-1910). Die kon hij dus gerust overschrijven.

Ironisch, om een journalist/schrijver ten tonele te voeren die niet eens een poging wil doen om origineel te zijn.

Overigens was kostuumkunde een van de gebieden waarop de KB zich tijdens het interbellum in specialiseerde omdat geen enkele universiteitsbibliotheek dit onderwerp serieus verzamelde.

zaterdag 29 april 2023

343. Fictieve bezoekers van de KB (8)

Het gaat erop lijken dat de afgelopen eeuw de KB als locatie in romans alleen gebruikt is door auteurs, die nu nog nauwelijks bekend zijn. Zou de KB in hedendaagse romans een plek gaan krijgen? 

Overigens bewaart de KB romans zonder onderscheid te maken in kwaliteit, omvang, thema, stijl, gebruikte kostuums en locaties. Weinig kan de KB ervan weerhouden een roman te bewaren.   

Begin jaren twintig speelt de leeszaal - die speciaal gebouwd werd in de tuin achter de statige panden aan het Lange Voorhout - een rol in een verhaal van R. van Genderen Stort (1886-1942). Meest opmerkelijke aan deze auteur is dat hij in 1917 blind werd, ten gevolge van syfilis. 

Zijn roman 'Kleine Inez' verscheen in De Stem in 1923 en 1924.

Kleine Inez verscheen als boek bij uitgeverij Van Loghum Slaterus (1925).

R. van Genderen Stort, Kleine Inez (1925)


Die kleine Inez heeft zelf niets met de KB van doen.

Het gaat hier om Peter. Die ontwikkelt zich tot een raslezer en later een schrijver. Hij wordt ook zwaarmoedig en ongelukkig, omdat 'kleine Inez' uiteindelijk  niet met hem, maar met zekere Erwin trouwt.

Al vroeg ontdekt hij de wereld van het boek.

Een bibliotheek op de markt, waar hij vroeger menigen geschiedkundigen roman uit de vaderlandsche letterkunde vóór tachtig gehaald had, bleek een grooten voorraad fransche romans te bergen uit de naturalistische en psychologische school van de tweede helft der negentiende eeuw. En zeker tweemaal per week trad hij het donker vertrek binnen en vroeg den verdroogden en uitgestreken bibliothecaris, die achter zijn lessenaar, op een hooge kruk, onder een gaslamp knipte en plakte en zijn gouwenaar rookte, om een ander boek.
(pagina 64)

Die verdroogde en uitgestreken bibliothecaris is de mannelijk evenknie van de bibliothecaresse met knot en bril: een cliché dat Van Genderen Stort niet schuwt.

De eerste keer dat Peter met een bibliotheek in aanraking komt is als vierdejaars leerling. Dan wordt op de bovenste verdieping een leeszaal geopend:

Met welk een verwachting betrad hij voor het eerst dit heiligdom! Maar bij het zien van zooveel boeken, die de kasten vulden en zooveel tijdschriften, die de tafel bedekten, beving hem een verwarring, want hoe zou hij kiezen uit zulk een overvloed? 
(Pagina 58)

Nederlandse literatuur was er in overvloed:

[...] de volledige werken van Mr. Jacob van Lennep prijkten zelfs tweemaal, in groote blauwe en kleine roode banden, op de zwichtende planken. 
(Pagina 59)

Er waren historische boeken, geïllustreerde edities van Shakespeare, Goethe en Molière. Peter begint met plaatjes kijken in die dikke boeken en stapt dan over naar de tijdschriften en kranten. 

Op tafel lagen eenige nederlandsche en buitenlandsche tijdschriften, gewijd aan beeldende kunsten, een maandschrift, dat vertaalde opstellen over wetenschappelijke vraagstukken inhield, een staatkundig weekblad, een rotterdamsch nieuwsblad en het maandschrift Nederland, voorts oude jaargangen van de Gids en de Revue des deux Mondes.
(pagina 59)

Als zijn grootvader in alle rust 's avonds wil lezen, vertrekt hij naar de KB -

in welker hooggewelfde leeszaal met haar groene schemerlampen en duizendtallen boeken hij zich behagelijk voelde
(pagina 187)

- veel behaaglijker dan in de schouwburg, want daar had hij slechte herinneringen aan:

afkeerig van het onwelriekend publiek en zich de slappe vertooningen herinnerend[.]
(pagina 187)

R. van Genderen Stort, Kleine Inez (1925)


Het is geen spannende glansrol van de KB. Er speelt zich juist helemaal niets af, niets theatraals, niets overrompelends - het positieve bestaat eruit dat je geen last hebt van de mensen, dat ze niet stinken en dat je je er niet hoeft te vervelen, want je zorgt voor je eigen vermaak door de boeken aan te vragen die je kunnen boeien.

Ook nu nog zitten de bezoekers graag tussen 'duizendtallen boeken', in een weliswaar niet 'hooggewelfde leeszaal' (al zijn er door middel van vides hoge lichte kokers die de ruimte groter maken) en zeker niet met 'groene schemerlampen'. Maar nog altijd: heel veel boeken. Als behang zijn boeken altijd belangrijk gebleven.

De KB viert haar 225-jarig bestaan

dinsdag 18 april 2023

342. Fictieve bezoekers van de KB (7)

Jan L. Walch - die in de vorige blog ter sprake kwam - deed in zijn tijd als journalist voor de krant Het Vaderland de KB waarschijnlijk zelf als bezoeker aan, voor onderzoek zullen we aannemen. In een column-achtige bijdrage onder het pseudoniem 'Krammer' schreef hij in oktober 1934 over een avondlijk bezoek aan de KB, iets wat hij kennelijk weinig deed. Aangezien Krammer een pseudoniem is en we niet zeker weten of het stukje autobiografisch is, schaar ik hem gemakshalve - gewoon omdat de bijdrage zo aardig is - onder de fictieve bezoekers van de KB.

Krammer [Jan Walch], 'Scherven van gisteren'
in 
Het Vaderland, 19 oktober 1934

De Krammer moest gisteravond in de Koninklijke Bibliotheek zijn; en daar komt hij zelden 's avonds. Hij loopt er nu al 'n veertig jaar telkens es rond, neuzende en snorrende; maar 's avonds is hij er in al die jaren samen nog geen veertig keer geweest.

Walch zegt dat 

er iets is van een pelgrinage in zoo’n avondlijken tocht naar de Kazernestraat.

Krammer [Jan Walch], 'Scherven van gisteren'
in 
Het Vaderland, 19 oktober 1934


En: 

Een vertrouwdheid, die verhoogd en verplechtigd voortduurt, wanneer hij de deur die – wonderlijk voelt men dat, in deze verlaten straat – niet afgesloten is, openduwt, en zoo in de hooge hal is gekomen, doodstil ook en egaal belicht. De vestiaire is 's avonds beneden; hetgeen de gevoels-beduidenis aandraagt, dat de intrede in de wereld van mijmering en boeken eerdere aanvangt. Hij is nu al "in de bibliotheek", vóór hij de trap op gaat; op de trap voelt hij zich, zonder overjas en hoed, al in een huis, hij is meer gast nu, dan bij dag.

En álles is anders dan bij dag. Het bureau, waar met de jaren de uitleenerij officieeler en wantrouwiger van allure is geworden, is nu in duister weggedekt. In de leeszaal zit een enkele ambtenaar onder de avondkamersche koepeling van een lampje te lezen.

De uitleenbalie wordt gekenschetst als 'wantrouwiger' en dat klopte. Vanwege diefstal van boeken uit de leeszaal was men vanaf 1933 verplicht zich in te schrijven als bezoeker en daarvoor moest een identiteitsbewijs worden getoond. Dat kon van alles zijn van visitekaartjes tot rijbewijzen en er was zelfs een bezoeker die zijn wapenvergunning toonde!

De Krammer haalt zijn boeken. Draait ook zijn lichtje op in de roerloos-stille zaal. Ziet even rond. Hier en daar lichten enkele andere lampjes vóór andere eenzaam-verloren menschen, die hier in deze vreemde, stad-verre rust zich wegleven in een boek. Belovende boeken staan bij duizenden gerijd voor alle verre wanden, de even belichte of, verre, wegscheerende.

Het is een beetje koud. Het is doodstil. Het is een kerkhooge zaal, waarin een héél vreemde en diepe rust wijlt. Het is vol herinneringen aan enkele jaren-verre uren, toen de Krammer hier ook zat, met een leven, dat veelzins anders was, maar híér was het hetzelfde. Hier is de wereld weggevallen. Hier is het boek.

(Krammer [Jan Walch], 'Scherven van gisteren' in Het Vaderland, 19 oktober 1934.)

De terminologie wijkt niet af van wat bezoekers in die jaren schreven over de KB. Van de termen 'vertrouwd' en 'plechtig' wordt de eerste veel en veel minder genoemd dan de tweede en die tweede ligt vooral in de mond bestorven van mensen die de KB niet bezochten. De plechtigheid van de KB schrok bezoekers af. Maar hier is plechtig verbonden, zo lijkt het, aan de eer om gebruik te mogen maken van de KB - er is zelfs vertrouwdheid gekweekt in de loop der jaren. Hij voelt zich dan ook een huisgast.

Aan de tafels zitten de bezoekers in stilte. Om hun heen hoge wanden vol boeken. Het is geen gemeenschap; er zijn alleen de individuen in hun eigen 'bubble', met hun eigen boek voor zich, elk een wereld op zich. Zo werd het door velen ervaren destijds.

De KB viert haar 225-jarig bestaan.


woensdag 12 april 2023

341. Fictieve bezoekers van de KB (6)

Als je een boek publiceert met de titel Boeken die men niet meer leest moet je niet gek opkijken als je daar zelf in belandt. Wie leest nog Jan L. Walch? Hij zou een eigen hoofdstuk moeten krijgen in een nieuwe editie van Boeken die men niet meer leest - hoewel zo'n titel ook al niet meer gelezen wordt (en de titel was misleidend: hij schreef bijvoorbeeld over de Belijdenissen van Augustinus en Lof der zotheid van Erasmus). En hoe ongelezen kun je worden? Of trekt zijn 'biografie' van Couperus misschien nog lezers? Het zijn maar 31 pagina's...

Jan Walch (ca. 1930)
[Foto: Wikimedia Commons]

Walch leefde van 1879 tot 1946 - zijn biografisch portret is te lezen bij DBNL - en promoveerde in 1906 op Vondel. Deze Haagse leraar werd journalist (die in Het Vaderland artikelen schreef onder het pseudoniem 'Boekenwurm') en ging in 1936 naar Parijs om er professor Nederlands aan de Sorbonne te worden. Vanwege de naderende oorlog keerde hij terug naar Nederland en in 1939 volgde een benoeming tot directeur van de Toneelschool in Amsterdam. Een van zijn boeken is een handboek over de Nederlandse literatuur. In 1933 verscheen een aparte geïllustreerde editie van een eerder gepubliceerd verhaal - het is nu alleen nog om de illustraties van belang: De vreeselijke avonturen van Scholastica. De illustrator was M.C. Escher. 

Jan Walch, M.C. Escher,
De vreeselijk avonturen van Scholastica (1933)

Dat verhaal verscheen eerst als voorpublicatie in het tijdschrift Groot Nederland (1921) en een jaar later als een van drie verhalen in de bundel Drie vertellingen - en dus in 1933 als aparte uitgave. Maar er is een verschil. In Groot Nederland wordt het verhaal aan de auteur verteld door een gast in het Italiaanse hotel waar hij logeert. In de latere edities zoals Drie vertellingen is alleen het verhaal zelf overgebleven.

Jan L. Walch, Drie vertellingen (1922) [Pagina 43 (detail)]

De gast vertelt het verhaal aan een gezelschap in de hal van het hotel waarin een van de Engelse gasten beweert dat elke nieuw gearriveerde gast een verhaal moet vertellen - en dat doet de landgenoot van Jan Walch met verve. Deze gast spreekt hem in dit internationale gezelschap overigens aan als 'signor Gianni Guelfo'.

Hij ontmoet deze Nederlander echter voor de eerste keer buiten het hotel:

En zoo vond ik het dan óók prettig, toen ik in mezelf een nieuw symptoon van vaderlandsliefde ontdekte; dat was, toen ik, bij een oud kloostermuurtje in Umbrië, inéénen, na maanden, een Hollander ontmoette. Het was een archaeoloog, dien ik eens weken lang tegenover mij had zien zitten op de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, maar dien ik nooit gesproken had. - Doch nu was het feit der herkenning ons beiden voldoende voor een allerhartelijkste begroeting. En hij ging mee naar mijn hotel; en we dronken Asti spumante, op Holland -

Bezoekers van de leeszaal van de KB spraken - er zijn verschillende getuigenissen van - niet met elkaar als ze elkaar niet kenden. Ook niet tijdens de lunchpauzes waarvoor ze de Kazernestraat inliepen, want een restaurant voor bezoekers was er niet in de KB, er was niet eens een 'coffee corner'. Zelfs als bezoekers, zoals Jan Walch en deze in Umbrië ontmoete landgenoot, wekenlang tegenover elkaar zaten, spraken ze elkaar, zonder introductie, niet aan. Men zweeg. Boven de boeken die men las. Of niet echt las. 

Zie DBNL: Jan L. Walch, ‘Uit “Praatjes in een laaiende lente. VIII. Het verhaal van den Hollandschen gast, getiteld: “De vreeselijke avonturen van Scholastica”’, in Groot Nederland, 19 (1921), p. 647-662 (hierin p. 647-648).

De KB viert haar 225-jarig bestaan.


donderdag 6 april 2023

340. Bekende canzones van een onbekende kunstenaar

Heel vaak komt het niet voor dat een moderne aanwinst van de KB van een onbekende maker is. Van de meeste hedendaagse uitgaven weten we wie de auteur is. Dat geldt niet voor de uitgave 6 canzone. Dat zou moeten zijn: 6 canzoni.

6 canzone (omslag)

Ik weet niet wie de kunstenaar is die de kleurenetsen maakte, de teksten uitschreef, stempelde of drukte. Ik weet de naam van de uitgever al evenmin (waarschijnlijk dezelfde maker) en bovendien is mij onbekend wanneer het boek gemaakt is.

6 canzone (handtekening)

Het is door een Nederlandse kunstenaar in elkaar gezet, zoveel is zeker en blijkt uit de (voor mij) onleesbare handtekening met daaronder de opmerking: 'eigen druk'. Ik denk dat de handtekening begint met de naam 'Joop' en het tussenvoegsel 'v.' [van] - en dan houdt het op voor mij.

Plaats en jaar ontbreken.

6 canzone (strofe uit 'La Croce')

De teksten zijn anonieme Italiaanse volksliederen. Van één gedicht kan een auteur worden achterhaald. Dat is 'La Croce'. Dit is één strofe uit het gedicht 'La Croce' van Pietro Paolo Parzanese (1809-1852). De naam staat in de uitgave niet vermeld.

6 canzone (papier met handtekening)

De etsen en teksten zijn gedrukt en handgeschreven op verschillende soorten papier, waarbij dikker en gelig papier is gekozen voor de etsen.

6 canzone (met stempel van Banchelli)

Een eigenaardigheid is dat één van die vellen met etsen een Italiaanse oorsprong moet hebben. Daarop staat gedrukt: 'Construzioni elettromeccaniche Banchelli s.r.l. Pieve al Toppo (Arezzo)'.

6 canzone (Nederlandse en Italiaanse tekst)

Maar het zal toch om een Nederlandse kunstenaar gaan, want één van de gedichten is voorzien van een Nederlandstalige versie: 'Canzone d'amore' en 'Liefdeslied'. Bovendien is de uitgave onlangs via een Nederlandse antiquaar in de KB-collectie gekomen. De titel is door de toevoeging 'popolari' raadselachtig. In het Italiaans had er moeten staan: 6 canzoni popolari.

6 canzone (geschreven en gedrukte teksten)

Wie kan hier meer over vertellen? Wie is de maker en uit welk jaar stamt deze uitgave?

Naschrift 7 april 2023

De eerste reactie op dit blog was meteen raak. Anneke de Vries herkende de handtekening van Joop Visser (1946-2019), componist en kunstenaar die etsen maakte, maar ook drukwerk en bovendien andere illustratietechnieken gebruikte. Anneke liep voor haar ontdekking alle 'Jopen' langs op de website van het RKD! 

Joop Visser, dat staat er! Helaas is hij overleden en weten we nog steeds niet uit welk jaar de uitgave dateert. Voorlopig houd ik het op circa 1990.


vrijdag 24 maart 2023

339. Fictieve bezoekers van de KB (5)

Journalisten, zeker de Haagse, kwamen vroeger vaak in de KB om feiten te checken of zaken dieper uit te spitten. Hun bezoeken aan de leeszaal van de KB kregen een weerklank in verhalen en satires. Een voorbeeld hiervan is een ironisch feuilleton van D.Th. Jaarsma dat in 1916 werd gepubliceerd in Elsevier's Maandschrift.

Elsevier's Maandschrift 1916 (omslag)

Doede Thieszes Jaarsma

Doede Thieszes Jaarsma (IJlst 1878 - Driebergen 1959) was toen een net getrouwde onderwijzer. Hij was in Den Haag in 1914 gehuwd met Rosetta Maria van den Abeelen. Aan haar droeg hij zijn roman 'Bekentenissen van een bruidegom' op toen die in 1916 in Elsevier's Maandschrift begon te verschijnen.

Na de Eerste Wereldoorlog vervulde hij verschillende functies in het onderwijs, waarvan zijn directeurschap van het onderwijs in Amersfoort herhaaldelijk genoemd wordt.

Hij schreef een lange reeks parodieën en satires, maar ook realistische romans die zich bijvoorbeeld in Friesland afspeelden, zijn provincie van geboorte. 

In een van de afleveringen van 'Bekentenissen van een bruidegom' komt de KB voor (Elsevier’s Maandschrift, 26 (1916) dl. 52, pp. 279-290) [Lees in DBNL de hele aflevering.] De voltooide roman verscheen in 1917 bij uitgeverij P.N. van Kampen en Zoon. Daarin staat de passage op pagina 114-116.

D.Th. Jaarsma, Bekentenissen van een bruidegom (1917)

Met tegenzin naar de KB 

De bedoelde bruidegom in het verhaal is een journalist bij een krant die - gezien de wijze van nieuwsgaring ironisch - De Bron heet. Hij moet een zieke collega - een zekere Banning - vervangen op een terrein waarvan hij niets afweet: kunst, moderne kunst, de kunst van de futuristen, terwijl hij naar eigen zeggen van schilderkunst in het algemeen geen sjoege heeft en dat levert natuurlijk problemen op. Hij 'moet schrijven, de expositie verslaan':  

3 Mei. - Banning bezocht, en bezwaren geopperd. 
"Doet er niet toe", beweert hij. "Gap 't". 
"En 't publiek?"
"Vreet alles."
Zoo heeft hij gezegd, m'n sympathieke collega, en van z'n ondernemingsgeest getuigd. Me voorgesteld heeft hij, te gaan naar de Koninklijke Bibliotheek, om uit 'n Duitsch tijdschrift, dat hij er gelezen had, handiglijk bijeen te grissen…. De schóóier! 

Vervolgens bezoekt hij eerst de expositie, maar hij kan er niets mee.

4 Mei. - Den ganschen middag verbracht op de expositie van de futuristen. Gewichtig-deftig! Comme il faut! En gewapend met 'n "block-notes" ....!
De humbug, de zwendel! Wat zullen die kleur- en kladwellustelingen? Is dit schilderkunst?
[...]
't Belang-van-ons-jonge-weekblad eischt, dat 'k in de Bibliotheek ga stelen…. 

Dan bezoekt hij alsnog de KB:

6 Mei - 'k Hèb 't gedaan, hèb 't gestolen! 'r Was geen uitweg, 't moest! O God, 'k ben misselijk, 'n spiritueele afschuw bevangt m'n wezen. Proef noch krant wil 'k zien, 'k walg, 'k walg.... Wat eenheid, idealen! Geestelijke waarden stelen wij! Zelfs de versleten mop  van de fou-toeristen heb 'k me niet geschaamd te copieeren! 

Voor het inleveren leest hij zijn artikel nog eens door: 

Drie kolom. Wóordelijk gestolen. Schandelijk, schandelijk! Verbijsterd bestaar 'k de blaadjes copie, heb niet den moed ze ter drukkerij te doen brengen....

Maar dat doet hij toch en tot zijn verbazing beklaagt niemand zich bij de krant. Hij hoort er nooit meer wat over.

D.Th. Jaarsma, Bekentenissen van een bruidegom (1917, p. 114)

Overschrijvers in de KB


Dat plaatst deze fictieve journalist in een rij bezoekers die de KB ongetwijfeld vaak in de leeszaal heeft gehad. Zij vormen de categorie overschrijvers, intellectuele dieven en plagiaatplegers. Het waren echt niet alleen eerzame geleerden die de KB frequenteerden. Ook bezoekers met snode plannen waren welkom, als je maar netjes gekleed kwam. 

Er is, in zekere zin, sindsdien veel en weinig veranderd. Tegenwoordig hoef je je zelfs helemaal niet meer aan te kleden om digitaal via Delpher of DBNL je perfide werk te doen. Niemand die je ziet!

Overigens is maar de vraag of de scribent in deze roman werkelijk alles overschreef. De term 'fou-toeristen' levert in Delpher geen enkel resultaat op, de Duitse vertaling ervan lijkt ook een dood spoor - misschien was Jaarsma origineler dan hij zich wilde voordoen?

Het Vaderland, 4 augustus 1912

Futuristen in Den Haag


En - nog een overigens - er had enkele jaren eerder wel degelijk een futuristententoonstelling in Den Haag gestaan en wel in Kunstzaal Biesing aan de Hooge Wal, naast de Koninklijke Stallen. De inleiding werd gegeven door Herwarth Walden van De Sturm. Er kwamen vierduizend bezoekers af op de schilderijen van Boccioni, Carra, Russola en Severini, schreef een krant, voordat de expositie verhuisde naar Amsterdam. De tentoonstelling was eerder te zien in Parijs, Londen, Brussel, Berlijn, Hamburg en Kopenhagen, en ging vergezeld van pamfletten waarin de musea tot kerkhoven werden verklaard. Deze tentoonstellingen werden in de Nederlandse pers destijds neergesabeld (lees hierover Kees Revier in De Gids, 1985).

De tentoonstelling werd in Den Haag overigens redelijk positief onthaald, al werden er ook flauwe grappen gemaakt: een bezoeker vroeg zich af wat de kunstenaars met deze schilderijen wilde uitdrukken. Antwoord van een andere bezoeker: hun verftubetjes (Algemeen Handelsblad, 12 september 1912).